Opinie

De toekomst blijft popelend wachten

Marjoleine de Vos

De radio speelt almaar passiemuziek, en wie een beetje paasgevoel heeft doet dat thuis ook nog en loopt zachtjes neuriënd van hoofden vol bloed en wonden, van tranen en lijden en sterven, door het eveneens zacht zingende land waar narcissen staan te wuiven en magnolia’s hun sterren aan de blauwe lucht vertonen.

„Er moet een geitje lammeren, wil je ’t zien?” vraagt een man die net druipend van het zweet zijn grasmaaier heeft afgezet.

Het geitje is in zekere zin ook in passie-stemming, ze gilt klaaglijk, werpt haar kop in de nek en lijdt. Maar gelukkig komt er al gauw een zwart snuitje tevoorschijn en even later ploft de in vlies gehulde natte zwarte zak in het stro en hop daar staat al een miniem geitje te zwikken op de pootjes, ijverig schoongelikt door de moeder die geheel en al de wederopstanding uitbeeldt.

Wederopstanding. Dat is de hele lente natuurlijk, jaar na jaar. Op de koude, grijze dagen die het voorjaar nu eenmaal ook kent, luister ik heel graag naar de tenor-aria uit de Lukas Passion: „Lasst mich ihn noch einmal küssen”. Het wordt zo klaaglijk gezongen, eigenlijk smeekt de stem voornamelijk „nur noch einmal, nur noch einmal”. Het is het allerbegrijpelijkste gevoel. Niet dat veeleisende van helemaal weer levend maken, helemaal opnieuw beginnen, al wil de rouwende dat ook wel, maar gewoon nog één keer te mogen omhelzen degene die je nooit meer zult zien. De aria klinkt helemaal niet christelijk maar vooral verliefd, de tekst spreekt van „mijn geliefde” en de laatste regel is zo tekenend voor de pijn van de rouw: „Denn meine Liebe stirbt nicht ab”, want mijn liefde sterft niet.

De liefde is er nog wel, maar het object is weg. De pijn van het afgesneden zijn, om met Vasalis te spreken.

En dan bloeien de pruimenbomen en men zaait de lathyrus voor straks en maait het eigen gras en droomt van donzige kleine geitjes – alles wijst vooruit naar de toekomst en het leven. Zo heen en weer gaat het, zo naar het verleden en naar de toekomst.

Ik las de nieuwe dichtbundel van Mischa Andriessen, Winterlaken, tjokvol mythische en bijbelse beelden, maar eigenlijk vooral vol van diezelfde beweging: terug naar het ogenblik waarop het kind in het water is terechtgekomen, terechtgekomen moet zijn, en vooruit naar de rouw van nu en terug naar toen de toekomst nog popelend stond te wachten, en dan weer „nur noch einmal”. Er zijn een man en een vrouw die zinloos zoeken in het water waarin het kind is verdwenen, die staren en wachten, wachten en lijden, die zich een terugkeer inbeelden. Die zich van elkaar verwijderen, hoewel ze dat niet willen. Er is een Orpheus die niet eens omkijkt maar toch „uit haar verdween”. En dan steeds het denken dat het kind er weer is, maar weten van niet, steeds terug naar het water en weten dat dat geen zin heeft.

„Het is alles goud daar beneden/ Maar wie in het water afdaalt/ Wanneer de geest hem grijpt/ Zal de weg omhoog nooit weten”.

En toch is er een weg omhoog, Eurydike volgt Orpheus en stapt het licht in, Atlas legt het hemelgewelf neer, een engel verschijnt, een dansvloer ligt klaar.

Het is onbegrijpelijk en ongelooflijk hoe diep een mens kan gaan tot waar geen bodem meer is en hoe steeds weer het leven hem naar buiten stuwt, pootjes vooruit, kletsnatte kop in het stro.

Al blijft er altijd een stem het verleden toezingen dat onze liefde blijft, en niet afsterft, nooit afsterft.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.