Opinie

    • Tommy Wieringa

Kleine oorlog

Wanneer er een patrouillewagen van de gemeente of de provincie over de dijkweg langs mijn huis rijdt, ben ik onmiddellijk gealarmeerd. Ik loop naar het raam, meestal rijdt de auto door. Opluchting. Een illegaal schuurtje, een vergunningloze vlonder in de vaart, bomen die je zonder toestemming plantte – een overheidsauto voor je deur betekent boetes, bezwaren, procedures en uiteindelijk nederlaag. De overheid beschikt over indrukwekkend geduld en onuitputtelijke reserves om de burger het leven zuur te maken en hem uiteindelijk tot waanzin te drijven.

Vaak rijden ze door, soms stopt er een. Deze week een legergroene provinciejeep met een man erin. Hij kijkt rond en maakt een aantekening. Ik ga naar buiten en vraag aan het gesloten raam of ik hem ergens mee kan helpen. Het raam gaat tot halverwege omlaag, ik herhaal mijn vraag. De ambtenaar achter het stuur, niet ver van zijn pensioen en met een zichtbaar gebrek aan lichaamsbeweging, lijkt weinig trek te hebben in contact met een burger en zegt „neuh”.

„U staat hier vast niet voor niets”, zeg ik.

Hij wijst met zijn duim achter zich: „Die boot.”

„Die is van mij.”

„Hij ligt aan een boom.”

Dit kan ik niet ontkennen, het touw ligt vast rond de voet van een knotwilg die ik daar een paar jaar geleden heb geplant. „Dat mag niet”, zegt de man. Door mijn verbazing vergeet ik te informeren welke gek zoiets verzint en vraag: „Hoe moet ik ’m dan vastleggen?” Hij draait zich krakend om in zijn stoel. „Ik zie daar bijvoorbeeld een ijzeren paaltje.”

Het paaltje steekt een centimeter of twintig boven het gras uit, je kunt er inderdaad een boot aan vastleggen, maar een kettingslot om de boot te beveiligen tegen diefstal, dat dan weer niet. Ik weet dat Spinoza meent dat werkelijke vrijheid niet in de wildernis maar in de mensengemeenschap wordt gevonden (ik heb het zijn vertaler Maarten van Buuren vorige week zondag tijdens een lezing horen zeggen), maar de instanties die de mensenmaatschappij ordenen, associeer je vervolgens zelden meer met die vrijheid, maar vooral met bedilzucht, ongemak en machteloze woede. Dit zou kortom het moment zijn om met de man in discussie te gaan over de zenuwslopende haarkloverijen van de kleine overheid, maar ik denk aan Gijsbert Ruiter uit Haelen. Deze tragische held van onze tijd verruilde in 1998 de Randstad voor Limburg en woonde er naar tevredenheid totdat er een woonwagenkamp kwam op het terrein naast zijn huis. Toen de bewoners illegaal bomen rooiden en Ruiter daartegen bezwaar maakte bij de gemeente, doodden zijn nieuwe buren twintig van zijn kippen, gooiden meermaals zijn ramen in en bedreigden hem en zijn gezin met de dood. Ruiter bouwde daarop een hek rond zijn terrein om zich te beveiligen tegen de kampbewoners, die intussen ook zijn huis waren binnengedrongen en vernielingen hadden aangericht.

De gemeente greep in, niet op het woonwagenkamp maar bij Gijsbert Ruiter: het hek moest weg. Toen hij weigerde, kwamen er twee ambtenaren en een paar agenten om het voor hem te doen. Ruiter, die nu zowel de overheid als de kampbewoners tot vijand had, verzette zich tegen de sloop van het hek met molotovcocktails, brandende benzine en een handboog, en vluchtte daarna de bossen in. Na een klopjacht werd hij opgepakt en zat hij negen maanden in voorlopige hechtenis. Een onafhankelijke onderzoekscommissie oordeelde ondertussen hard over de handelwijze van de gemeente Leudal: tunnelvisie, onwil en bestuurlijke incompetentie. De gemeente had het conflict strikt formeel-juridisch benaderd, zonder oog voor de bedreigingen en gewelddadigheden van de kampbewoners. Dat Ruiter zich daarop gewapend verdedigde, verbaasde de onderzoekers niet: met kennelijk genoegen citeerden ze Von Clausewitz’ beroemde stelling over de oorlog als legitieme voortzetting van de diplomatie.

Ondanks het rapport verloor Ruiter ook in hoger beroep. Op aanraden van zijn psychiater verhuisde hij daarop naar Zuid-Spanje, waar hij nu op een berghelling woont en lange wandelingen maakt met zijn hond. In de wildernis, denk ik, op veilige afstand van buren en overheden.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.