Recensie

Recensie Boeken

Hoe de gevierde ballerina een op geld belust ‘kreng’ werd

Jan Cremer Ooit kroop Cremer door het stof voor een mooie Vlaamse ‘meid’. Aan die relatie heeft hij een wild boek gewijd.

Na in Fernweh (2016) over zijn ouders te hebben geschreven en in Sirenen (2017) over zijn verhouding met de jong overleden mannequin Loesje Hamel, schrijft Jan Cremer in het derde deel van de zogeheten Odyssee-reeks opnieuw over een liefdesrelatie. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig zwierf Cremer kriskras over de globe met een vrouw die in het boek Perrine wordt genoemd, een mooie Vlaamse ‘meid’, zoals het dan in Cremeriaans jargon heet, aanvankelijk een gevierd ballerina die leefde voor haar vak, maar die gaandeweg, na te zijn bevallen van Cremers dochter Camille, veranderde in een slechts in geld en huiselijke hygiëne geïnteresseerd, bits kreng. Canaille heet dit boek, maar het had ook Onder de duim of In de marge kunnen heten, want we lezen hier over een vrije jongen die een hoge prijs betaalt voor zijn onlesbare dorst naar de grootse, romantische liefde en daardoor uitgeknepen en afgetroggeld wordt, maar die toch altijd weer terugkeert naar dat akelige mens, ‘als een hond naar zijn mand’.

Deze kwetsbare positie heeft een, op mij althans, uitermate geestige uitwerking. Waar Cremers autobiografische personages, zoals de vertellers van zijn Ik, Jan-boeken, toch vooral de vruchten plukten van hun eigen eenvoud en pragmatisme (lees: ze pakken anderen in of walsen over hen heen), daar kruipt er hier eentje door het stof. Jan mag een hond wezen, hij is net zo goed een ezel die zich eindeloos aan dezelfde steen blijft stoten – een redelijker mens was al veel eerder bij Perrine weggelopen. Hij is er ingetuind, krijgt het meest gore voedsel opgediend, wordt met de nek aangekeken door zijn schoonfamilie en moet alle registers opentrekken om de ruif waar moeder en dochter uit eten gevuld te houden. Jan vlucht wel, maar valt aldoor ten prooi aan Perrines spijtbetuigingen en aan zijn eigen sentimentele inborst, waarbij hem onophoudelijk beelden te binnen schieten van die ‘lieve’ meiden thuis. Je hoeft er als lezer alleen nog maar de Fisherman’s Friend bij te bedenken.

Vrouwelijke aandacht

Voelt Jan Cremer de tijdgeest zo goed aan dat hij hier een machoman voor onze ogen afschminkt? Je ontkomt af en toe niet aan die gedachte, van een man die op een motor de letteren enterde en er nu op de step weer uitrijdt. Maar totaal overstag gaat hij toch niet. Gelukkig maar, want anders zou Canaille waarschijnlijk te weinig gepolariseerd zijn, te larmoyant zijn.

Oude brieven van fotomodel Loesje Hamel zorgden ervoor dat ‘ongevoelige idioot’ Jan Cremer toch een liefdesverhaal schreef. Lees ook: ‘Schuld, dát is het. Ik voel me zo schuldig’

Het boek heeft eerder iets weg van Bukowski’s Women (1978), tevens gedragen door een schrijver die – dankzij zijn succes – plotseling omkomt in de vrouwelijke aandacht. Met dat verschil dat Cremer niet toehapt, niet toe kán happen omdat hij zo verkikkerd is op Perrine. De onderliggende boodschap luidt dan ook dat het niet heel verstandig is om jezelf op te offeren. Wisten we al, maar kan niet vaak genoeg herhaald worden.

Een pak dollars

Is Canaille een roman? Het staat er wel in, maar het valt niet aan te raden om het als een soort fijn Zwitsers uurwerkje te beschouwen waarin de tandjes geruisloos en superieur in elkaar vallen. Canaille is een wild boek, een druistig dagboek eigenlijk, van de papierrol afgescheurde, kostelijke lectuur waarin voorvallen en zinnen te vinden zijn waar geen collega van Cremer mee voor de dag zou kunnen komen. ‘Ik heb weer wat geld verdiend met mijn boeken, buitenlandse rechten, en ik gooi weer een pak dollars op de toog en zeg tegen de barkeeper: “Zeg maar wanneer het op is.” Want traditiegetrouw moet geld bij mij rollen. Wat met een kruiwagen binnenkomt, moet er met een vrachtwagen weer uit, even los van de zuinigheid van Perrine. Even uit de kooi ontsnapt. Toch verlang ik weer naar haar. Vooral naar mijn kleine meid want die mis ik toch wel.’ Dat je hier om kunt smalen, is zeer begrijpelijk. Maar dan moet je die aanstekelijke grote waffel, dat ‘traditiegetrouw’ en het hortende over de ketting van Perrine helemaal negeren.