Recensie

Recensie Boeken

De Nederlandse volgelingen van massamoordenaar Mao

Mao Ook hier had Mao Tse-toeng veel volgelingen en zwaaide men graag met zijn Rode Boekje. Historicus Hans Schoots was een van hen, zo blijkt uit zijn Maoïstische Memoires.

Ooit had de communistische massamoordenaar Mao Tse-toeng (1893-1976) in Nederland een goede naam. Bij zijn overlijden sprak minister Van der Stoel van een ‘zwaar verlies’. De conservatieve tv-commentator G.B.J. Hilterman meende dat onder de voorzitter ‘het communisme met een menselijk gezicht’ werd betracht. Ook zagen sommigen in Mao het dappere gelaat van de Derde Wereld, dat het westerse imperialisme op zijn donder gaf. En ten slotte waren er de maoïsten voor wie de grote roerganger een Messias was.

Ik, tien jaar SP-lid oude stijl, was een van hen. Welbeschouwd was ik een kleutermaoïst die op z’n vijftiende Lenin las en Mao aanzag voor een soort machtige magiër Gandalf uit In de ban van de ring, dat mijn nachtkastje deelde met het Rode Boekje. En ik was niet de enige bekeerling. Twee oudere zussen en twee studerende boerenkinderen uit het dorp waren lid van De Partij, zoals we de SP vol ontzag noemden, opdat we konden geloven in het wereldhistorische belang van de partij, die ons luid en onbekommerd marxistisch-leninistisch rond deed kwaken.

Doorgaans waren het afgedwaalde protestantse en katholieke jongeren, die de barmhartigheid van de oudere christelijke generatie verruilden voor solidariteit met de arbeidersklasse. Die begon in de jaren zeventig uit te sterven, maar werd wanhopig gesteund door studerende binnenlandse fellow travellers uit middenstandsgezinnen. Hun – ons – drama, dat van de overijverige onwetende telaatkomers op het toneel van de uitdovende klassenstrijd, is nu opgetekend door Ivens-biograaf, historicus en jarenlang belijdend Mao-aanhanger Hans Schoots (1950).

Zijn Maoïstische Memoires, over zijn loopbaan in de beweging zijn een ontgoocheling en een oorwassing voor de rechtstreeks betrokkenen van toen. Al is het maar om de eindeloze, onderlinge verbale oorlogen in theoretisch niemandsland, die de auteur uitgebreid beschrijft.

Tegelijkertijd opent het boek een onbekende wereld. De buitenstaander maakt kennis met allerhande marginale en zichzelf marginaliserende clubjes. De KAO (Kommunistische Arbeidersorganisatie), de KEN (Kommunistische Eenheidsbeweging Nederland), de KPN (Kommunistische Partij Nederland, de latere SP), het MLCN (Marxistisch Leninistisch Centrum Nederland), de KKB (de Kommunistische Kring Breda), de KKR (de Kommunistische Kring Rijnmond), De Rode Jeugd, en de GML (Groep Marxisten Leninisten). Ze zagen zichzelf allemaal als schatplichtig aan Mao, de rechtmatige erfgenaam van de rode erfenis die door de Sovjet-Unie was verkwanseld; en ze voegden allemaal voor zover het niet in de naam stond het etiket ml (marxistisch leninistisch) toe aan de partijnaam, een canoniek stempel dat de eigenwaan streelde en tegelijkertijd de wereldvreemdheid van de kameraden – zoals we elkaar op congressen noemden – bevestigde.

Foute terlenkabroek

Schoots’ soms wel erg naar binnen gekeerde verslag van zijn avonturen in naargeestig maoïstisch wonderland doet de lezer af en toe duizelen van namen en bewegingen, alsof hij op excursie is in een ideologische speeltuin. Toch laat het boek zich ook lezen als een verhaal van een generatie die brak met de gelovigheid en gewoonten van de generaties voor haar. Het beschrijft met name dat deel van deze generatie dat geobsedeerd werd door een verlangen naar zuiverheid en zekerheid en een makkelijke prooi was voor rode ayatollahs als de vroege SP-leider Daan Monjé, die vereerd werd alsof hij Stalin zelve was in zijn foute terlenkabroek, suède puntschoenen en met zijn snorretje dat door alle afdelingsvoorzitters – politiek commissarissen – geïmiteerd werd.

We speelden revolutietje. Verkettering was de eerste kwaliteit die we ons eigen maakten. Geduldig en ongeduldig werd schriftuurlijk vastgelegd wat er aan de andere communistische pretendenten niet deugde.

Dan was er uiteraard de verproletarisering. De arbeidersklasse vormde immers het decor voor de voorstelling die gespeeld moest worden. Nu en dan werd het proletariaat ook daadwerkelijk gevonden, bij buurtacties in volkswijken in het zuiden, incidenteel in de havens van Rotterdam en af en toe in een bedrijf (Schoots werkte in vele fabrieken, maar moest door omstandigheden meestal net weg voordat er een kleine kladderadatsch uitbrak). Maar doorgaans zaten we als maoïsten zonder massa en speelden we vóór of tegen elkaar, of kweelden, zoals bij de SP, bij gebrek aan proletariaat op z’n proletarisch mee met Corry en de Rekels, Heintje of de Zangeres Zonder Naam.

RAF-terroristen

Verder was er de vrijwillige verblinding. Tegen beter kunnen weten in hielden we vol dat Stalin goed was. En niet Mao was fout, maar de Bende van Vier, die na hem kwam. Tenslotte was er de belangrijkste V, die van de verlossing. Schoots schrijft over de gewelddadige Rode Jeugd en RAF-terroristen die de zelfverwezenlijking heilig verklaarden met hun terreur.

Te vrezen is dat het ons allemaal om ons eigen zielenheil ging. We waren net puber af en leefden in het misverstand dat de wereld om ons draaide. ‘Afbreken is opbouwen, zegt voorzitter Mao’, schreef ik vroegwijs en grootsprakig in een schoolschriftje. ‘Nu is het niet moeilijk meer onze taak te herkennen: de massa organiseren en beginnen aan de communistische revolutie.’

We waren kinderen op leeftijd met het hart vol van de nieuwe meewerkende maoïstische genade, verdwaald in een verlate arbeideristische versie van de jaren zestig. Schoots heeft onze speelplaats een geschiedenis gegeven.