Recensie

Recensie Boeken

Onder de gletsjer is twintig jaar geleden iets verschrikkelijks gebeurd

Charles-Ferdinand Ramuz De Zwitserse auteur laat in zijn spookverhaal – over herders en een jonge vrouw in de bergen – veel ruimte voor interpretatie.

De grote angst in de bergen van Charles-Ferdinand Ramuz begint erg sterk. De bewoners van een bergdorp kunnen een extra weide voor hun koeien goed gebruiken. Heel hoog in de bergen ligt een alpenweide er welig en onaangeroerd bij. Waarom de grazers daar dan niet heen geleid?

Omdat er op die weide, vlak onder de gletsjer, twintig jaar geleden iets verschrikkelijks is gebeurd, bijna alle herders stierven onder vreemde omstandigheden. Welnee, dat is bijgeloof van de oudere generatie, tegenwoordig zijn we zakelijker, we laten mooi gras toch zeker niet verdorren? Kom op, hand opsteken wie voor is. En de gemeente stemt voor, waarna een groep van zeven herders met zeventig stuks vee de moeilijke tocht naar boven onderneemt, met de bedoeling daar drie zomermaanden te verblijven. Het lijkt slechts een bescheiden inbreuk op het privéleven van de bergen, maar het is het begin van rampen van oudtestamentische omvang.

De Franstalige Zwitser Charles-Ferdinand Ramuz (1878-1947) is vooral bekend als tekstschrijver van Stravinsky’s Histoire du soldat. Zijn bekendste roman is La Grande Peur dans la montagne uit 1926. In contrast met de conservatieve strekking die je in het verhaal kunt lezen – probeer niet de stand van zaken te verbeteren, want dat zou wel eens een verslechtering kunnen betekenen, en laat de jongeren vooral naar de ouderen luisteren – staan Ramuz’ verre van traditionele vertelprocedés. Zijn neiging om het perspectief steeds te laten verspringen pakt soms goed uit, zoals wanneer de blik van de herders overgaat in een blik op de herders, ‘nietige zwarte puntjes’ vanuit de optiek van de machtige bergen. Dat de werkwoordtijden voortdurend wisselen, zelfs binnen één zin, gaat echter irriteren – en dan zijn de eigenaardigheden van Ramuz, die het recht opeiste ‘slecht te schrijven’, ook nog gedoseerd weergegeven door vertaler Rokus Hofstede, blijkens diens nawoord.

Modernistische kunstgrepen daargelaten bouwt Ramuz de spanning in dit (spook)verhaal met klassieke, eenvoudige middelen op. Over een jonge vrouw die ’s nachts in haar eentje het pad omhoog gaat: ‘Daar moet ze een poosje hebben uitgerust, vermoedt men…’ De grote charme van het boek is dat de intrige veel ruimte voor interpretatie biedt. Wat is daar in het hooggebergte nu precies gebeurd? Lag het kwaad daar op de herders te wachten, of hebben ze het van huis uit meegenomen? Had het dorp het onheil wel kunnen afwenden? Twee lessen lijken zeker: in tijden van voorspoed moet je rampen vrezen, en als jij geen grenzen aan de groei stelt, doet het lot dat wel voor je.