Frans van Mierisstraat

Halte Poëzie Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in Amsterdam.

Het is zo’n straatje van alleen maar nette mensen, de Frans van Mierisstraat. Aan weerskanten bomen en hier een daar een blauwe regen of een roos. Niks bijzonders, maar op zaterdag 1 juni 1918 vond hier in het huis op nummer 118 een gebeurtenis plaats met verstrekkende literaire gevolgen. Het huis, een klein model villa gesierd door een tegeltableau waarop de afbeelding van een papaver vergezeld gaat van het woord, werd in 1918 bewoond door de dichter en Joodse activist Jacob Israël de Haan en huisarts Johanna van Maarseveen die elf jaar eerder met elkaar getrouwd waren. „Dat De Haan met een vrouw trouwde, was niet zo vreemd”, schrijft Jan Fontijn in Onrust, het leven van Jacob Israel de Haan, 1881-1924.

Het was natuurlijk wel vreemd, want De Haan had niets met vrouwen en des te meer met mannen, met jonge mannen vooral. De voorkeur voor mannen deelde hij met Johan Andreas Dèr Mouw, die vooral geïnteresseerd was in jongens uit het gewone volk. De jonge dichter Victor van Vriesland op wie Dèr Mouw hevig verliefd was, bracht de twee mannen met elkaar in contact. Er gingen een paar briefjes heen en weer en in het voorjaar van 1918 gaf Dèr Mouw vier van de zes blauwe cahiers waarin hij zijn poëzie had verzameld aan De Haan met het verzoek ze, zonder zijn naam te noemen, ter beoordeling voor te leggen aan Frederik van Eeden, met Willem Kloos en Lodewijk van Deyssel een van de voormannen van de beweging van Tachtig en inmiddels uitgegroeid tot de Grote Goeroe van de spirituele Poëzie.

Dat is wat er gebeurde op 1 juni 1918 in de Frans van Mierisstraat. Vier dagen later schreef Van Eeden aan De Haan: „Beste Joop, ik ben vervuld van die verzen. Toen ik ze in de trein las dacht ik: ‘een ster van de eerste grootte’. Een evenement in de literatuur.”

Dèr Mouw werd postuum beroemd onder de naam Adwaita en door de versregel ‘’k Ben Brahmaan. Maar we zitten zonder meid.’ De Brahmaan kwam ook wel eens in Amsterdam. Hij logeerde dan in Hotel Palais Royal aan de Nieuwezijds Voorburgwal. „Ik leid ’n vie de bohème”, schreef hij aan Van Vriesland. „Veel drinken.” Behalve van drank zou er sprake zijn geweest van drugs en slechte vrouwen, van contacten in de onderwereld, met smokkelaars en zelfs met een handelaar in blanke slavinnen. In zijn verzen laat hij zich één keer uit over die periode: ‘ja, ja, stompzinnig ergens in de Nes/ met dronken prolen slaan de boel kapot,// dan met een meid naar bed, en van genot/ schreeuwen en schreeuwen doen, een keer of zes.’

In de Van Mierisstraat kwam ik een kennis tegen die me vertelde dat Dèr Mouw thuis een dienstbode had en een scheltouw, maar dat hij haar niet durfde schellen omdat hij bang voor haar was.