Een grote man met een groot hart

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Erwin Josefa alias Big Ali (1948-2019) leefde voor de tennisclub in het park.

Erwin Josefa alias Big Ali, de imposante Curaçaoënaar die drie decennia de tennisbanen in het Amsterdamse Westerpark bestierde, hield van filosoferen. Het liefst over de bureaucratie in het stadsdeel of de emancipatie van ‘de zwarten’. „Martin Luther King had het niet begrepen”, oreerde hij op een zonnige voorjaarsdag in 2015. „Hij zei: I have a dream. Maar als je droomt, dan slaap je. En dan kun je niks doen voor de zwarten. Het gaat om actie, actie! Marvin Gaye had het begrepen, die zei: Let’s get it on!”

Dat laatste paste inderdaad meer bij Josefa zelf. Tijdens zijn jeugd op Curaçao begon hij met boksen, een hobby waarvoor hij de wereld over reisde. Hij ontmoette zelfs Mohammed Ali – vandaar de bijnaam. Via Duitsland, waar hij werkte aan het aanleggen van trein- en tramrails, belandde Josefa in Amsterdam. Halverwege de jaren tachtig, hij leefde inmiddels van een uitkering, begon zijn opmars in het Westerpark. Daar organiseerde hij toernooitjes voor jongeren en toen de eerste tennisbaan er kwam, zat hij op een stoel ernaast om rackets en skeelers te verhuren.

In 1986 begon Josefa officieel met Big Ali Sport en vanaf 2002 huurde hij van de gemeente een clubhuis: een houten chalet met bar voor de nachtelijke neutjes. Voor het beheren van de toiletten kreeg Josefa zo’n 6.000 euro subsidie. „Het was zo gezellig altijd bij ons”, zegt Yvonne Brilleman (72), die vanaf 1994 de financiën van de club deed. „Naast de tennis deed-ie vaak sjoelbakken naar buiten als het mooi weer was. Van welke afkomst ook, iedereen was bij ons gelijk. Het maakte Ali niet uit of je op Louboutin-schoenen liep of slippertjes van de Zeeman.”

„Het was een goed tweetal’’, zegt Anne-Marie Martens, van 1990 tot 2002 deelraadslid voor de VVD. „Ze hebben ontzettend veel bereikt voor kwetsbare groepen, vooral kinderen, waar allerlei gesubsidieerde welzijnsinstellingen legers hulpverleners op afstuurden met weinig resultaat.”

Josefa leefde voor de tennisclub, hij was er bijna altijd. Hoewel hij op een paar minuten lopen van het clubhonk woonde, kennen zijn buren hem nauwelijks. „De laatste keer dat hij me gedag zei was in 1998”, zegt buurman Gill. „Het was een vreemde man, hij wilde met niemand iets te maken hebben.”

Merkwaardig, want Anne-Marie Martens omschrijft hem juist als „een grote man met een groot hart”. „Je had iets met hem of niet”, verklaart Kimbel Bouwman, redacteur van de lokale Staatskrant. „Ik denk dat sommige mensen bang voor hem waren. Hij was een verschijning: grote mond, dikke buik, bos haar. Een rebel, het tegenovergestelde van een burgerman. Niet iedereen kon zich daartoe verhouden. Je kon ook ruzie met hem krijgen.”

Dat laatste hebben ze ervaren op het stadsdeelkantoor. „Hij is ontzettend tegengewerkt door de ambtelijke organisatie en de politiek”, zegt Anne-Marie Martens. Dat lag aan hemzelf, aldus stadsdeelbestuurder Jeroen van Berkel: „De manier waarop hij mensen bejegende was niet altijd even netjes, en dan druk ik me zachtjes uit. Met name de laatste jaren was het heel vervelend.” Dat Josefa na een paar whisky’s of glaasjes port lange, onnavolgbare monologen kon houden zal niet hebben geholpen.

In 2013 vertrok Yvonne Brilleman naar Bennekom. „Zodra ik weg was, hebben ze hem aan alle kanten proberen te pakken.” In 2015 werd de subsidie stopgezet en in 2016 moest Josefa het clubhuis uit. Een huurachterstand en onvoldoende onderbouwde subsidie-uitgaven waren de officiële aanleiding. Onzin, zegt Brilleman: zij deed nog steeds de financiën. Big Ali ging in beroep, de Raad van State stelde hem meer dan een jaar later in het gelijk over de subsidieverantwoording. Maar toen was hij al ziek.

Een achterliggende ergernis bij het stadsdeel waren de daklozen die rondhingen bij de tennisbaan – steeds vaker niet alleen alcoholisten maar ook drugsverslaafden. Vrienden van Ali, was de aanname. Maar zelf was Josefa er ook niet blij mee. „In de zomer ben ik hier de hele tijd, dan moet ik die vechtende junks uit elkaar houden”, zei hij erover.

Na zijn vertrek werd het niet beter. Onlangs vertrok de tweede vrijwilliger van stichting De Regenboog, die de banen nu beheert, omdat ze zich niet veilig voelde in het clubhuis. „Laatst moest ze een paar vechtende mensen uit de wc trekken”, zegt Bas de Groot van De Regenboog.

Intussen had Josefa zich teruggetrokken in zijn huis, bijna niemand wist dat hij darmkanker had. „Ik zag hem vorig jaar nog een keer op z’n fietsje, ik toeterde naar hem vanuit de auto, maar hij wuifde: ga maar door”, zegt zijn oude vriend Age Jongsma (80). De zoon van Yvonne Brilleman zag hem nog op het Haarlemmerplein, hij was mager geworden. „Hij wilde niet dat ik langskwam, hij wilde zijn kwetsbare kant niet laten zien”, zegt Brilleman. Erwin Josefa overleed op 3 maart in het zorghotel Leo Polakhuis, zeventig jaar oud.

Correctie (14 april 2019): In een eerdere versie van dit artikel stond foutief dat Erwin Josefa geboren was in 1943. Dat moest 1948 zijn en is aangepast in de tekst.