Foto Patrice Normand/Hollandse Hoogte

Historicus Ivan Jablonka: ‘De waarheid bestaat. Ze is geen gezichtspunt’

Interview Het werk van de Franse historicus Ivan Jablonka gaat ook over de rauwe kanten van het hedendaagse Frankrijk. Zijn persoonlijke blik doet volgens hem niets af aan het waarheidsgehalte.

‘Jazeker, ik maak me zorgen over heroplevend antisemitisme. Als historicus, als burger. En als Jood.” Hij zegt het op een besliste toon, maar Ivan Jablonka kijkt me tegelijk gepijnigd aan, alsof hij liever over een ander onderwerp had gesproken. De Franse historicus en socioloog ontvangt me in zijn werkkamer in het Collège de France, op een steenworp afstand van het Pantheon in Parijs.

„In het huidige Frankrijk heb je drie soorten antisemitisme. Allereerst het katholieke, burgerlijke antisemitisme, dat bestaat nog steeds. Dan is er het arabisch-islamitisch antisemitisme in de voorsteden. En nu komt daar ineens het antisemitisme van de arbeidersklasse bij. Het deed echt pijn toen ik op een geel hesje de woorden ‘Macron Rothschild Zionisme’ zag staan.

„Ik begrijp heel goed waar de beweging vandaan komt, ze komt voort uit een politieke en morele crisis. Ik ben een van de redacteuren van het spraakmakende boek van Piketty, Kapitaal in de 21ste eeuw, ik zie de groeiende ongelijkheid en de onrechtvaardige lastenverdeling. Bovendien heeft Macron zich in het buitenland laatdunkend over Fransen uitgelaten, over hun verzet tegen iedere verandering, dat getuigt van weinig respect, het past een president met een mandaat van het volk niet. Maar de beweging is vervuld geraakt van haat en wrok. Haat tegen de elite, tegen de welgestelden in de grote steden, tegen vluchtelingen, immigranten en, vanzelfsprekend, tegen Joden.”

Ik heb Jablonka opgezocht omdat ik onder de indruk ben van zijn recente boeken. Allereerst is daar Laëtitia, waarin Jablonka op nauwgezette wijze het leven reconstrueert van een jong meisje, Laëtitia Perrais, dat in 2012 is vermoord – een zaak die vanwege de gruwelijke details de nieuwscyclus in Frankrijk korte tijd domineerde, vooral toen de toenmalige president Sarkozy zich er mee ging bemoeien. Het is het verhaal van een kansloos leven in wat Jablonka ‘het vergeten Frankrijk’ noemt, de genegeerde witte onderklasse, die zich nu laat gelden in de gele-hesjesbeweging. Eerder schreef hij Histoire des grands-parents que je n’ai pas eus (De geschiedenis van grootouders die ik nooit heb gehad) – over zijn grootouders van vaderskant, die in Auschwitz zijn vermoord. Zijn vader werd als baby gered en groeide na de Tweede Wereldoorlog op in weeshuizen van een joods-communistische organisatie.

Haat tegen de elite, tegen de welgestelden in de grote steden, tegen vluchtelingen, immigranten en, vanzelfsprekend, tegen Joden

„De geschiedenis stroomt door onze eigen levens. Mijn collega’s zullen dat beamen, maar voor veel van hen is dat toch een abstracte gedachte. Bij mij is het evident. Ik laat mijzelf zien in mijn boeken, wie ik ben, hoe ik werk, wat ik denk. Een historicus is geen robot, geen algoritme en ook geen alziend oog. Het leven van mijn grootouders eindigde een halve eeuw voor het mijne begon. Ze zijn dus zowel geliefde familie als absoluut onbekenden. Die mengeling van afstand en empathie, van emotie en beschouwing stelt mij in staat hun verloren levens een historische dimensie te geven. Dat is mijn werk geworden, het traceren van vermiste personen in de geschiedenis, of het documenteren van anonieme levens, zoals van Laëtitia, zonder concessies te doen aan mijn professie als wetenschapper. Door het prisma van die levens laat ik zo de geschiedenis zien, of zoals in het geval van Laëtitia, het huidige Frankrijk.”

Volkswagenbusje

Is het ook plichtsgevoel? In zijn nieuwste boek, En camping-car, neemt Jablonka de vakanties uit zijn jeugd in de jaren tachtig tot onderwerp. Met zijn ouders en broertje reden ze iedere zomer in een Volkswagenbusje over het Europese continent. Een jeugd vol zon, zee, cultuur en zorgeloosheid. Het Europa dat zij verkenden, was een optimistisch, toekomstgericht Europa. Het is een Europa dat een hele generatie zich nog zal herinneren. Maar voor Jablonka was er altijd de schaduw van het verleden. Op een dag, wanneer de kinderen achter in de bus verzuimen van een mooi uitzicht te genieten en zich in een dom spelletje verliezen, schreeuwde hun vader hun toe: „Wees nou toch eens gelukkig!”

Jablonka: „Natuurlijk, ons geluk was de wraak van mijn vader op het noodlot. Wij vierden onze vakantie in een Volkswagen-camper, het merk waarmee Hitler zo had gepronkt. In ons busje namen we de omgekeerde route van het transport naar Auschwitz, wij gingen in ons Europa vrijheid en vrolijkheid tegemoet. Maar op mijn schouders rustte de plicht om gelukkig te zijn, dat benauwde ook. Onze vakanties waren overigens totaal niet uniek, maar typisch voor een welgestelde klasse in het Europa aan het einde van de twintigste eeuw. Dat wil ik laten zien. Het was een wereld zonder Google of Facebook, en zonder gps. Verdwalen hoorde erbij, dat was juist mooi. Er was geen grote werkloosheid, en mensen verwachtten dat hun kinderen het beter zouden krijgen dan zij. Er was de Koude Oorlog, natuurlijk, maar die deelde mijn wereld ook helder in. Voor het jongetje dat ik was, betekende de Koude Oorlog de tennismatch tussen John McEnroe en Ivan Lendl. Die wereld bestaat niet meer. We weten niet waar we naartoe gaan, zowel op sociaal als op historisch gebied. We voelen dat er grote veranderingen plaatsvinden, maar zonder het idee dat we er veel greep op hebben. Voor mijzelf is geschiedenis een houvast, een manier om naar de toekomst te kijken. Als je niet weet waar je vandaan komt, begrijp je niets van de wereld om je heen. Daarom probeer ik in mijn werk de sociale wetenschappen weer nieuw elan te geven. Daar is namelijk steeds minder belangstelling voor. Ik beschouw dat als een ramp.”

Heeft hij niet ook het gevoel dat hij iets goed moet maken ten opzichte van de slachtoffers? „Zeker. Mijn familiegeschiedenis is zowel een zegen als een last. Een zegen, omdat ik daardoor besef dat geschiedenis iets persoonlijks is. Een last omdat mijn werk een tragische inslag heeft, het besef dat geschiedenis meestal de verkeerde kant opgaat. Ik houd er niet van wanneer mensen zeggen dat we de plicht hebben te herdenken, omdat je herinneringen niet moet afdwingen. We moeten vrij zijn in de manier waarop we ons met het verleden verbinden. Maar ik ben de geschiedenis wel iets verplicht, zo voel ik dat. Ik wil mijn grootouders hun leven teruggeven, net als Laëtitia. Mijn grootmoeder was 28 toen ze werd vermoord. Laëtitia was 18 . Ik wil hen aan de dood ontrukken, hun een tweede leven geven.”

Geweld van mannen tegen vrouwen

In zijn relaas over leven en dood van Laëtitia, een onopvallend meisje uit Pornic, aan de westkust van Frankrijk, vlakbij Nantes, schetst Jablonka een beeld van een Frankrijk dat weinig Nederlanders zullen kennen. „Je hebt het Frankrijk van de binnensteden, waar de welgestelde en hoogopgeleide klasse woont. Er is het Frankrijk van de voorsteden, voornamelijk bevolkt door mensen met een immigratie-achtergrond. Daar vind je een heel herkenbare, dynamische cultuur. En dan is er het onzichtbare Frankrijk, het Frankrijk van de dorpen, de industriegebieden en kleine steden die onder de sociale radar zijn gekomen. In mijn boek over Laëtitia laat ik zien hoe in mijn land het leven van een meisje binnen twee decennia vernietigd wordt. Ze groeide op, samen met haar tweelingzusje, in een sociaal ontwricht gezin vol geweld en dreiging. Daarna werd ze uit huis geplaatst en kwam ze via de jeugdzorg bij een pleeggezin, waar seksueel misbruik plaatsvond. Uiteindelijk werd ze op een gruwelijke manier vermoord (de moordenaar was een kleine, gewelddadige crimineel die haar lichaam aan stukken sneed, red.). Haar dood is slechts het laatste hoofdstuk van een verhaal van geweld van mannen tegen vrouwen. Ook haar moeder en haar zusters zijn daar het slachtoffer van. Mijn grootouders werden eerst vervolgd onder het totalitaire bewind van Stalin en vervolgens vermoord door de nazi’s. Maar Laëtitia was slachtoffer van het geweld van mannen tegen vrouwen, gewoon in een vredige democratie. Mijn boek over haar kwam uit een jaar voordat de #Metoo-beweging losbarstte. Ik zie het verhaal van Laëtitia in die context, ik ben trots dat ik daar een steentje aan heb kunnen bijdragen.”

Mijn familiegeschiedenis is zowel een zegen als een last

Het boek werd bij verschijning geprezen en bekroond met onder andere de Prix Médicis. „Ik was vereerd, maar dat is een prijs voor romans, en mijn boek is allesbehalve een roman. Ik vind dat de sociale wetenschappen weg moeten van de droge statistieken en de kant van de literatuur op moeten om weer relevant te worden voor een algemeen publiek, maar dat betekent niet dat ik fictie schrijf. Laëtitia is vaak vergeleken met In Cold Blood van Truman Capote. Ook dat is eervol, maar er zijn wel grote verschillen. Capote was gefascineerd door bloed, door de misdaad en de daders. Het zal met mijn familiegeschiedenis te maken hebben, maar ik ben geïnteresseerd in slachtoffers, niet in daders. Daar komt bij dat Capote gewoon het verhaal wilde vertellen. Ik geloof niet dat hij een methode van onderzoek had. Hij reisde naar Kansas, sprak betrokkenen, snoof de sfeer op. Ik zie mezelf wel degelijk als historicus, ik heb een onderzoeksmethode, ik wil iets duidelijk maken met mijn verhaal. De moord op Laëtitia is ook ons overkomen, niet alleen haarzelf en haar familie.”

Het moet pijnlijk voor hem zijn geweest, dat zijn reconstructie van een vernietigd leven als fictie wordt gezien. „Ik ben een ouderwetse historicus, geen postmodernist. Ik geloof dat er zoiets als de waarheid is. Dat ik besef dat mijn blik op de werkelijkheid wordt gekleurd door wie ik ben, een man, een academicus, een Jood, betekent niet dat ik de waarheid louter als een gezichtspunt opvat, dat de waarheid niet bestaat. Ik pleit alleen voor een radicale intellectuele eerlijkheid. Je moet laten zien wie je bent, wat je onderzoekt en hoe je onderzoekt. In de negentiende eeuw was er een scheiding tussen literatuur, de romans van Balzac en Zola om maar wat te noemen, en de academische geschiedschrijving. Naar mijn mening voldoen die traditionele vormen niet langer. We hebben verhalen nodig die ons, wetenschappelijk onderbouwd, laten zien wie we zijn, in wat voor wereld we leven. Voor mij is de moord op Laëtitia geen true crime. Het is wat de antropoloog Marcel Mauss een ‘fait social total’ noemde, een sociaal feit waarin heel onze maatschappij besloten ligt.”

‘Rothschild is een kleine bank’

Is zijn nauwgezetheid, zijn verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van de geschiedenis, van de verloren levens, niet vechten tegen de bierkaai? De waarheid is, in een digitale wereld vol fake news en ‘alternatieve feiten’ oneindig rekbaar geworden. In een gepolariseerde wereld probeert iedereen de geschiedenis voor zijn karretje te spannen. En wanneer gezocht wordt naar krachten die achter de schermen aan de touwtjes trekken, komen bij radicale bewegingen Joden weer in zicht. Heeft hij de antisemitische tendens in de gele-hesjesbeweging zien aankomen?

Ik ben een ouderwetse historicus, geen postmodernist

„Nee, het is nieuw. Ik zeg zeker niet dat het onzichtbare Frankrijk antisemitisch is, dat is gewoon niet zo. Maar onder mensen die het zwaar hebben – de underdogs, de werklozen, de armen – ontstaat gemakkelijk het valse idee dat stedelijke elites, de bankensector, Joden onder één hoedje spelen. Dat zagen we in de 21ste eeuw niet eerder. Wel in de 19de eeuw, hoor. Veel leiders van de arbeidersbeweging vertikten het om zich uit te spreken in de Dreyfus-affaire. Waarom zouden zij die Joodse bourgeois legerofficier te hulp schieten? Het antisemitisme vandaag richt zich op de Jood als zodanig en op Israël, je vindt het zowel op uiterst links als op uiterst rechts. De onderliggende gedachte is dat Joden de wereld verstoren, dat de wereld beter af zou zijn zonder Joden of Israël. Dat is de grondtoon. Als Asjkenazische Jood verbaas ik me over die obsessie met Joodse instituties. Rothschild is een kleine bank. En in het wereldbeeld dat ik in mijn boek over onze gelukzalige vakanties in de Volkswagenbus beschrijf, speelt Israël geen enkele rol. Ik bezocht het land voor het eerst toen ik vijfendertig was. Ik ben Joods, maar mijn Joods-zijn is niet geworteld in Israël. Voor mij is dat niet het centrum van de wereld. Zelfs niet van mijn Joodse wereld. Mijn Joods-zijn is geworteld in de geschiedenis van Oost-Europa, in het tragische gevoel van gedeeld slachtofferschap, in het respect voor cultuur, boeken – en wellicht een gevoel voor humor. Dat maakt het voor mij heel moeilijk die obsessieve haat tegen Joden te begrijpen.”