Honingbij verjaagt wilde bestuivers

Ecologie Een groot veldexperiment op Tenerife laat zien dat honingbijen wilde bijen én wilde planten kunnen schaden. De moraal: je moet niet overal zomaar imkers toelaten.

Zesvlekkige groefbij (Lasioglossum sexnotatum)
Zesvlekkige groefbij (Lasioglossum sexnotatum) Foto Dick Belgers

Het is even wennen in deze tijden van ‘Red de bij’: bijen kunnen ook een negatief effect hebben op de biodiversiteit. Honingbijen welteverstaan. Met een driejarig veldonderzoek op Tenerife laten Spaanse biologen zien dat de komst van honingbijen in een natuurgebied een meetbaar negatief effect had op de diversiteit van wilde bijen. Ook de diversiteit van planten ging achteruit door de komst van imkers met hun bijenvolken. Dat schreven zij eerder deze maand in het wetenschappelijke tijdschrift Scientific Reports.

De onderzoekers keken naar de soorten en aantallen bestuivende insecten vóór en ná het plaatsen van honingbijenvolken in een natuurgebied op de flanken van de vulkaan Teide. Ze keken ook naar de interacties tussen verschillende planten en insecten: welke insecten werden gezien op welke planten? Uit die laatste meting bleek duidelijk dat het aantal interacties tussen planten en insecten afnam zodra de honingbijen op het toneel verschenen: die concurreerden veel wilde bijen het gebied uit. Bovendien groeiden er weliswaar meer vruchten aan planten wanneer er honingbijen in het gebied waren, maar daar zaten minder of zelfs onvruchtbare zaden in.

Wilde bestuivers

Koos Biesmeijer, hoogleraar natuurlijk kapitaal aan de Universiteit Leiden, is onder de indruk van het werk van zijn Spaanse collega’s. „Er is al langer zorg over de impact van bijenvolken op wilde bestuivers. Deze studie laat voor het eerst duidelijk zien hoe dat negatieve effect ontstaat en wat daarvan het gevolg kan zijn voor planten. Doordat een volk van tienduizenden honingbijen zo efficiënt is in het verzamelen van stuifmeel en nectar, hebben wilde bestuivers vaak het nakijken”, aldus Biesmeijer. „Deze studie laat zien dat het vooral de wilde generalisten zijn die achteruitgaan door de komst van honingbijen. Sommige wilde bijen specialiseren zich in het bestuiven van één of enkele plantensoorten, andere zijn minder kieskeurig. De honingbij is een uitgesproken generalist die dus concurreert met heel veel andere soorten.”

Dat naast de wilde bijen zelfs de planten lijden onder de komst van bijenvolken, is volgens Biesmeijer te verklaren uit dat weinig kieskeurige gedrag van de honingbij. „Als er minder diversiteit is onder de bestuivende insecten, verjagen ze elkaar minder van bloemen en is er meer nectar per plant. De kans op kruisbestuiving is dan kleiner, met minder zaden als gevolg.” Bij kruisbestuiving brengt een bij (of ander insect) namelijk stuifmeel van de ene naar de andere plant, doordat hij verschillende bloemen bezoekt om nectar te drinken. Voor veel planten is kruisbestuiving essentieel om vruchtbare zaden te krijgen.

Verboden voor imkers

De resultaten van Tenerife zijn niet zonder meer te vertalen naar andere natuurgebieden, waarschuwt Biesmeijer. „Zelf hebben we in onze groep bijvoorbeeld weleens een vergelijkbaar onderzoek gestart op heideterreinen in Engeland. Daar zagen we op het eerste gezicht geen enkel effect van bijenvolken op het voorkomen van hommels in de hei. Dat is op zich ook niet zo vreemd, want als de heide eenmaal in bloei staat, is het vergelijkbaar met een monocultuur van een akker met bijvoorbeeld koolzaad: eten genoeg voor iedereen. Maar dat natuurgebied op de Teide is een heel divers gebied met veel verschillende planten die dus blijkbaar ook veel verschillende bestuivers nodig hebben.”

Behalve hoogleraar in Leiden en wetenschappelijk directeur van Naturalis Biodiversity Center is Biesmeijer ook vicevoorzitter van één van de grootste natuurbeheerders in ons land: Natuurmonumenten. „Daar hanteren we een zeer terughoudend beleid voor imkers. Hun volken zijn niet of hooguit zeer beperkt welkom in onze natuurterreinen.”

Tweekleurige zandbij (Andrena bicolor) Foto Dick Belgers

Dat terughoudende beleid wordt gedeeld door de andere grote terreinbeheerder in ons land, Staatsbosbeheer. „Eigenlijk laten we alleen imkers toe wanneer zij geschiedenis hebben in een gebied”, zegt Erik van der Spek, boswachter voor Staatsbosbeheer op Texel. „Als er bijvoorbeeld op een landgoed al generaties lang een bijenstal staat, dan laten we dat vanuit het oogpunt van cultuurhistorie natuurlijk bestaan. En ook op heideterreinen mogen in de bloeiperiode al generaties lang imkers komen.”

Steeds meer imkers

Staatsbosbeheer hanteert wel een duidelijk quotum voor imkers in de natuurgebieden. „We gaan uit van de helft van de norm van twee volken per hectare die de imkers zelf hanteren. Dus als ergens 50 hectare heide in bloei staat, dan mogen er maximaal 50 bijenvolken staan. Als we er dan van uitgaan dat er al 25 volken uit de directe omgeving op de heide afkomen, laten we nog maar 25 volken van imkers toe. Maar als er helemaal geen historie is van bijenhouderij in een bepaald gebied, dan is het ook nu verboden voor imkers.”

Van der Spek zegt zich als liefhebber van wilde bijen zorgen te maken over de groeiende populariteit van de bijenhouderij. „Wie zich zorgen maakt over ‘bedreigde bijen’ kan de honingbij direct vergeten. Daar wordt wel goed voor gezorgd door een groeiend aantal imkers. Maar daardoor komen écht bedreigde bijen wel extra in de problemen.”

Was de imkerij tot enkele jaren terug nog een vergrijzende hobby voor oude mannen, vandaag de dag bestaan er op veel plaatsen wachtlijsten voor de opleiding tot imker. Ook jongeren worden in toenemende mate tot het ambacht aangetrokken. Alleen al de Nederlandse Bijenhouders Vereniging – de grootste landelijke vereniging – telt achtduizend leden en leidt jaarlijks duizend potentiële imkers op.

Groeiende hobby

Die imkeren overigens niet allemaal in de natuur. Ook in de stad is bijenhouderij een groeiende hobby. In Het Financieele Dagblad becijferde journalist Huib Koel, tevens webmaster van wildebijen.nl, onlangs dat er in de zomer alleen al in Amsterdam 28 miljoen honingbijen rondvliegen uit 700 verschillende kasten in de stad.

Alle aandacht voor insecten is volgens Biesmeijer op zichzelf een goede zaak. „Maar mensen moeten zeker niet het idee hebben dat ze door het houden van honingbijen de natuur helpen – laat staan de bedreigde bijen. Dan kun je beter zorgen voor meer bloemen in de stad en op het platteland. Honingbijen blijven toch ‘gehouden dieren’, net als varkens of koeien. En die laten we ook alleen maar los in de natuur als ze ons bij het beheer kunnen helpen.”

Lees over de bijentelling van vorig jaar: Op één: de gedomesticeerde honingbij