Recensie

Recensie Boeken

De glazen zwaantjes van jouw woorden

Anneke Brassinga Niet eerder was Brassinga zo lyrisch en zo poëticaal in haar poëzie als in haar nieuwe bundel Verborgen tuinen. Alles wendt zij aan om het Leven – en dus het goddelijke, de dood, de literatuur – te bezingen.

Foto Istock

Met bijna honderd pagina’s is Verborgen tuinen een stevige bundel, maar dat mag niet verbazen: het is de eerste sinds Anneke Brassinga in 2015 de P.C. Hooft-prijs voor haar poëzie ontving. Ze opent de bundel met ‘Berlijn, 2014’, bestaande uit acht stedelijke taferelen met telkens een haiku als onderschrift. Bij de lichtval op het asfalt: ‘Kon ik verzinken / in wegdek, als de schaduw / van mijn straatlantaarn.’ Een duet met Piet Gerbrandy besluit Verborgen tuinen. Wie beider werk kent, kan wel zien wie waar over de Romeinse Boëthius aan het woord is, maar het boeiende is hoe hun stemmen als eenheid spreken.

Toch had Brassinga (1948) deze afdelingen achterwege kunnen laten. Het beste bevindt zich in het hart: vintage Brassinga, vol vuur, zoals in ‘Hemellichten’: ‘Maar varen latend alle hoop op u die niet komt, niet / binnentreedt, besta ik minder dan de stoel waarop – / van verwachting brandend en in hemellicht uw wezen lezend // als het komend wonderwerk van mij’. De klankrijkheid van het gedicht en het stuwende ritme doen het verlangen kolken.

Brassinga is volgens mij nooit eerder zó lyrisch en zó poëticaal geweest. De wisselwerking tussen schrijven en vertalen, de passies waaruit haar oeuvre opgebouwd is, onderzoekt ze op talrijke manieren, zoals in de twee eerder genoemde afdelingen: de wisselwerking tussen beeld en woord en tussen twee schrijvers die een derde bespreken, parafraseren en bezingen.

Ook in Verborgen tuinen weer twee vertalingen, ditmaal van Oswald Egger en Walt Whitman. Dat we die laatste hier aantreffen, is interessant, aangezien Brassinga’s vertaling uit 2005 stamt en die dus in een van haar drie vorige bundels had kunnen verschijnen. Maar in Verborgen tuinen vallen de vier fragmenten uit Whitmans ‘Song of Myself’ op hun plek, vlak na Brassinga’s eigen tour de force ‘Het bezingt Zich’ dat zich in het hart van de bundel bevindt.

Het gedicht bulkt van expliciete verwijzingen naar Sartre, Verne en Van Gogh en tussen aanhalingstekens geplaatste citaten. In ‘De zebrapaden van het hinkelend verstand’, een lekker kitscherige titel, noemt Brassinga Mallarmé en Descartes, maar is het voor mij na een mislukte factcheck gissen naar de herkomst van zinnen als: ‘Een haas heeft / geen wimpers’, of: ‘De mens is een gat in de leegte.’ Misschien misleidt de dichter ons wel met haar aanhalingstekens. In ieder geval benadrukt zij zo de dialoog die Verborgen tuinen met andere werken en stemmen aangaat.

Is het een probleem dat die referenties mij ontgaan?

Ik spoel een dichtbundel terug. In 2015 schreef ik voor weblog Tzum over Het wederkerige (2014). De strekking van dat stuk was dat ik me sterk aangetrokken voelde tot Brassinga’s retorische rijkdom en stilistische verfijning, maar dat die niet wisten te beklijven. Waar dat precies aan lag, wist ik niet adequaat genoeg te verwoorden, realiseerde ik me toen ik het stuk herlas.

Inmiddels weet ik dat wel. Omdat ik geen grip kon krijgen op Brassinga’s werk, serveerde ik het af. Ten onrechte. Ook een recensent kan voortschrijdend inzicht tonen, al betwijfel ik of ik nu beter in de dichtheid van haar poëzie kan doordringen.

Wat Brassinga doet, wordt duidelijk uit het gedicht voor F. Harmsen van Beek, waarin ze zich Fritzi’s gekkigheid eigen maakt: ‘[...] de definitief ons toetakelende // neerbraak – okee, geen vrije wil, maar dan wel vrijheid van wanhoop, / in die wazige achtergrondelijkheid van jou, waar opkijktorens // waken dag en nacht vanwege de verpadding die, je weet het, naken blijft.’ Het gevaar is een gemakkelijke pastiche, maar Brassinga absorbeert wat ze tegenkomt en wie ze leest ten volle.

Alles wendt zij aan om het Leven – en dus het goddelijke, de dood, de literatuur – te bezingen. Geen wonder dat de eerste regels van Verborgen tuinen luiden: ‘Lees. In letters ligt / onze wroeging begraven – / dat wij nog leven.’ En in een andere afdeling: ‘[...] Met loeiend vuur van poëzie zal // nu het albezielend albesef zich lanceren ten hemel! / om daar, te laat, de wrange wet te leren: een god / die zich incarneert – verliest zijn goddelijke kracht.’

De verstoffelijking gaat altijd gepaard met verlies, dat geldt evengoed voor een gedicht of als we een gevoel onder woorden proberen te brengen. Is het daarom dat Brassinga alle stilistische en ritmische zeilen bijzet en de zeggingskracht zo hoog mogelijk wil opvoeren? Zodat het gedicht uit zijn eigen omhulsel breekt?

Zo lees ik het prachtigste gedicht uit de bundel: ‘Gaan, blijven’, gericht aan J. Vogelaar, dat breekbaar eindigt: ‘De glazen zwaantjes van jouw woorden // vlogen weg en bleven toch – zoals licht dat wit / in kleuren breekt, of als jij die nu // voortvliegen blijft boven de verre, peinzende, / hardnekkig onbevroren zee in ons.’ Op de andere pagina, in ‘Het eind’, trapt ze het gaspedaal weer in: ‘Het eind zal komen als een lawine van leven, / aanstormend dwars door de grens die mij maakt’. Onbevroren is ze inderdaad.