Dertien dagen op zoek naar Anne Faber

Voorpublicatie Het lichaam van de vermiste Anne Faber (25) wordt 12 oktober 2017 gevonden op aanwijzing van de – inmiddels veroordeelde – Michael P., die drie dagen eerder gearresteerd was. Een undercover-politieman zette hem aan tot praten, blijkt uit het boek dat Hans Faber schreef over de dertien dagen dat zijn nichtje vermist was.

Een dag voor de vondst van haar lichaam in Zeewolde, wordt nog naar Anne Faber gezocht in een bos tussen Den Dolder en Soest.
Een dag voor de vondst van haar lichaam in Zeewolde, wordt nog naar Anne Faber gezocht in een bos tussen Den Dolder en Soest. Sem van der Wal/ANP

Op vrijdag 29 september 2017 begint de 25-jarige Anne Faber aan een fietstocht. Als de Utrechtse studente ’s avonds laat nog niet terug is, slaat haar vriend alarm. Anne’s moeder Elze gaat de volgende ochtend naar het studentenhuis van haar dochter.

‘Anne! Anne!’ Elze heeft een zachte stem, maar nu schrok ze er zelf van hoe hard ze kon schreeuwen. Ze hadden aangebeld bij het studentenhuis van haar dochter, een paar keer zelfs, maar het bleef stil. ‘Anne!’ De zware stem van Elzes vriend Marijn. Ze keken naar boven, maar nog altijd geen beweging achter de ramen op de tweede verdieping.

Je moet zelf constateren dat ze niet thuis is, had de agente gezegd toen ze eerder die ochtend aangifte deed van vermissing. Een berichtje van een huisgenoot was niet genoeg. Ze moest het met eigen ogen zien.

Anne woonde er nu bijna twee jaar. Toen ze klaar was met bedrijfskunde in Nijmegen, een studie die ze had gecombineerd met een minor kunstgeschiedenis, was ze naar Utrecht verhuisd. Ze had haar zinnen gezet op een master aan de Erasmus. Die studie was weliswaar in Rotterdam, maar in Utrecht kende ze meer mensen.

‘Anneeee!’ Elze probeerde het nog een keer. Langzaam ging het raam open. Een slaperig hoofd stak naar buiten. Maxime, Anne’s huisgenootje. Even later zag Elze dat Annes bed onbeslapen was.

De zoektocht

Anne Fabers familie en vrienden coördineren in samenwerking met de politie een grote zoektocht, die dertien dagen duurt. Haar oom, Hans Faber, heeft lang gewerkt als journalist neemt de taak op zich om de pers te informeren. Hij zoekt zelf ook mee.

Een uitgestrekt menselijk lint trok gedisciplineerd door het gebied. Op open terrein ging dat gemakkelijk, maar op andere plekken was het bos zo dichtbegroeid dat er geen doorkomen aan was. De ME’ers hakten zich met hun wapenstokken een weg door de struiken, de vrijwilligers volgden dat voorbeeld al snel met grote stokken.

We liepen naar het noorden. In de verte zag ik de lichtbruine kleur van duinen. Toen we dichterbij kwamen herkende ik een aantal fotografen. Als snipers lagen ze met hun camera’s in het zand. Het verzoek van pelotonscommandant Ronald Jager om niet voor de linie te komen hadden ze in de wind geslagen.

Na een uur lopen werd er bij een betonnen fietspad gehergroepeerd. Elze stond bij een houten slagboom een sigaretje te roken. Ze was in de linie meegelopen.

„Trek je het een beetje?”, vroeg ik.

„Ja hoor”, zei ze gelaten. „Dit is wel lekker. Gewoon een paar meter vooruitkijken, bevelen opvolgen en verder nergens aan denken.”

„Je bent gek.”

Iets eerder die middag, toen ze in linie liep, had een stel verslaggevers vlak achter Elze gelopen. „Dit is toch allemaal verspilde moeite hier”, zei de een. „Dat meissie ligt toch allang in een container.” Elze was gewoon doorgelopen, stomverbaasd over zoveel botheid. „Wat een stelletje eikels,” zei ze cynisch, „ik had wel Anne’s moeder kunnen zijn.”

***

Terwijl Elze zich met haar vrienden en veel vrienden van Anne in de eerste week van de vermissing vooral richtte op de georganiseerde zoektocht, liet Anne’s vader Wim zich vooral leiden door zijn intuïtie en de wil een levende Anne te vinden. De gedachte dat zijn dochter ergens opgesloten zou zitten voelde als een marteling, maar hield hem tegelijkertijd op de been. Als dat zo was, dan moest hij haar vinden. En wel zo snel mogelijk. Elke ochtend bestudeerde hij de kaart op zoek naar plekken waar iemand zijn dochter zou kunnen vasthouden. Elke dag reed hij rond op zoek naar leegstaande huizen, vakantieparken en volkstuintjes met schuurtjes. Het bracht hem op een ochtend in een van de chaletparkjes in het gebied. Samen met middelbareschoolvriend Marc en diens goede vriend Polle speurden ze al lopend het terrein van het park af. Polle had zijn hond meegenomen. Bij elk huisje keken ze naar binnen. De meeste bewoners, seizoensarbeiders, waren niet thuis, maar toch voelde het ongemakkelijk om bij onbekenden naar binnen te gluren. Toen Marc iets te snel een huisje voorbijliep, werd Wim boos. „Waarom loop je er zomaar langs?”

„Ik kan toch moeilijk de huizen hier openbreken”, riep Marc terug.

„Waarom niet? Anne kan er zitten.”

Iets verderop liep een man met een grote hond hen tegemoet. Hij keek nors en wilde weten wat de drie mannen in het park te zoeken hadden. „Ik ben de vader van het meisje dat hier in de omgeving is vermist”, zei Wim. De norse blik van de man veranderde meteen. Hij maande zijn hond tot rust.

„Ik wil bij de instellingen kijken die in het gebied liggen”, zei Wim op een ochtend. „Ga je mee?”, vroeg hij aan mij.

***

We reden op de provinciale weg richting Huis ter Heide. Linksaf de Nieuwe Dolderseweg op, dwars door het bos richting Den Dolder. Na een paar minuten draaiden we het terrein van de Willem Arntsz Hoeve op, waar de kliniek was gevestigd. Een weids landgoed, vrij toegankelijk voor omwoners en bezoekers, het zag eruit als een park.

Links en rechts gebouwen, sommige zichtbaar gesloten afdelingen, bij andere hingen groepjes bewoners rond. Ze rookten een sigaretje. Jonge mannen. Ze keken in de richting van de auto die langzaam voorbijschoof.

„Zie je dat”, zei Wim. „Overal camera’s hier. Als hier iets is gebeurd, moet dat op film staan. We moeten die beelden opvragen.” We parkeerden de auto pal naast de smalle weg en liepen het hoofdgebouw binnen. „Dit is de vader van Anne Faber, de vrouw die vermist wordt”, zei ik tegen de receptioniste. „We hebben wat vragen en willen graag een leidinggevende spreken.”

Het duurde een paar minuten voordat er iemand naar beneden kwam. De man, die vertelde dat hij arts was, liep voor ons uit naar een spreekkamer.

Weer legde Wim uit wie we waren en waarom we hier waren. De man knikte begrijpend, waarna Wim met de deur in huis viel. „Wat voor mensen zitten hier eigenlijk? Zijn dat ook mensen die zware delicten hebben gepleegd, verkrachtingen bijvoorbeeld?”

„Ja”, antwoordde hij met een diepe zucht. „Hier zitten patiënten die zijn veroordeeld voor ernstige misdrijven. Moord of doodslag, maar ook verkrachting.”

„Zou u Anne’s verdwijning willen bespreken in de groepen”, vroeg Wim. „Misschien hebben zij wat gehoord of gezien?”

„Nee, dat kan niet, dat maakt te veel mensen te onrustig.” Wim keek hem verbaasd aan.

„We zagen net overal camera’s hangen”, zei ik. „Zijn de beelden van vrijdagavond en zaterdag al bekeken?”

„Nee,” zei hij, „dat gebeurt alleen als er een directe aanleiding is.”

„Kunnen we zelf de beelden bekijken?”, vroeg Wim.

„Dat zal niet gaan. We hebben te maken met strenge privacy-voorschriften. Dat kunnen we niet doen.”

Op weg naar de auto bekroop ons beiden een naar gevoel. Er zaten hier mannen die zware misdrijven hadden begaan op een terrein waar iedereen ongezien naar binnen en buiten kon. De achterzijde van het terrein grensde aan het bos bij Soest waar Anne had gefietst, hadden we op de kaart gezien. „Dit is foute boel”, zei Wim, die buikpijn had gekregen.

***

Met grote passen stapte politiecommissaris Ad Sanders op maandag 9 oktober de brandweerkazerne binnen. Een paar dagen eerder had de politie de kazerne in het zoekgebied aangewezen als tijdelijk ‘hoofdkantoor’ voor familie en vrienden. „We hebben een zevenentwintigjarige man aangehouden in verband met de vermissing van Anne. Hij is aangehouden op verdenking van betrokkenheid. Hij is…” – Sanders keek op zijn horloge – „tien minuten geleden opgepakt.” Een ijzige stilte. „Het is op dit moment onbekend of Anne nog in leven is”, ging Sanders verder. „De man verbleef op een forensisch-psychiatrische afdeling van een kliniek in Den Dolder…”

„Dus toch”, zei Wim.

„Hij is de afgelopen vierentwintig uur geobserveerd in de hoop dat hij ons naar Anne zou leiden. Toen dat niet gebeurde is hij aangehouden. We gaan ook mensen in zijn omgeving verhoren.”

„Waarom zat hij in die kliniek?”, vroeg Elze.

„Hij heeft een achtergrond op het gebied van gewelds- en zedenmisdrijven.”

De Mobiele Eenheid (ME) zoekt in het Blookerpark naar sporen van Anne Faber. Jeroen Jumelet/ANP

Het politieonderzoek

De politie komt verdachte Michael P. op het spoor nadat vrienden van Anne Faber de jas hebben gevonden die ze droeg op de dag van haar verdwijning. In de omgeslagen mouw wordt P.’s DNA aangetroffen. Na zijn arrestatie wil hij niets zeggen over Anne Faber en haar mogelijke verblijfplaats.

Met een microfoon verborgen onder zijn kleding liep de undercover-arrestantenbewaker woensdag 11 oktober om half acht in Houten de cel van Michael P. binnen. De jonge agent kende P. nog uit zijn jeugd in Zeewolde. In de regiekamer in het arrestantencomplex luisterden de rechercheurs en de undercoverspecialisten van de eenheid Werken Onder Dekmantel gespannen mee.

„He, ouwe, man, godverdomme man!”, zei de agent.

„Hee”, zei P., stomverbaasd om daar een oude bekende tegen te komen.

Ze praatten een tijdje over vroeger, over kinderen. P. vertelde dat hij zelf ook vader zou worden. Een collega-bewaker stak zijn hoofd om de hoek van de cel. Toen de agent antwoordde dat hij „even een bakkie aan het doen was” liep de man weer weg. Het was tijd om ter zake te komen. Hij vertelde dat een maat van hem aan het onderzoek werkte. Toen hij hoorde dat zijn oude kameraad hier in de cel zat, was hij langsgekomen. „Ze hebben wel dingen tegen jou, maar serieus. Daar moet je echt over nadenken ouwe”, hield de agent P. voor. „Weet je wat het is, fucking DNA, dat is gewoon fuck.”

„DNA zegt niks”, antwoordde P. „DNA is verplaatsbaar, overdraagbaar. We moeten gewoon effe afwachten hoe het loopt.”

Na een tijdje over eerdere zaken gepraat te hebben waar P. voor veroordeeld was, kwam de agent to the point. „Er hangt jou serieus levenslang boven het hoofd, ouwe, en levenslang, dat is puur omdat je niet meewerkt.” Zijn verklaring had hij niet gelezen, zei de agent. „Ik weet niet of je eerlijk bent geweest of hebt gelogen. Ik wil een ding tegen jou zeggen. Dit heb ik echt uit ervaring, pik, het is kankervervelend, maar het is echt het verschil tussen levenslang vastzitten of gewoon een lange gevangenisstraf krijgen, ouwe.”

De agent wilde weten of zijn advocaat hem had verteld dat de politie in Zeewolde ging zoeken, dat ze haar vanavond gingen vinden.

„Nee.”

„Dat is het probleem, ouwe, dat jij eerder… dat je ze voor bent. Met wat ze nu hebben… en jij zegt niks, denken ze gewoon hier: de tyfus voor je. Als je ze gewoon voor bent, dan wordt het van twintig jaar tien of zo.”

Hij zou toch nooit meer vrijkomen, zei P., wat hij ook zou verklaren. Maar het besef dat hij ze voor moest zijn, was tot hem doorgedrongen. Hij moest vertellen waar ze was voordat de politie haar zou vinden. P. wilde zijn advocaat spreken. „Ik ga zo effe bellen voor je dat hij hier komt”, zei de agent.

Sommige delen van de tekst zijn bewerkt of ingekort.