Wijn bij de lunch? Dat is voor de levensgenieters

Genieten Steeds weer blijkt dat een goed gekozen glas wijn bij een niet te zware lunch het levensgeluk doet toenemen, schrijft .

Foto Benning en Gladkova

Wijn?, zei ik. Bij de lunch?” Julia Child, later een van de beroemdste Amerikaanse kookboekenschrijfsters (Mastering the Art of French Cooking) is zojuist, november 1948, in Frankrijk aangekomen. De koffers zijn door een kruier uit het schip geladen, de Buick is uit het ruim getakeld en haar man Paul heeft haar naar Rouen gereden waar ze in restaurant La Couronne hebben plaatsgenomen. Tot haar verbazing ziet ze hoe de ober uitgebreid spreekt met twee heren. Waarover? vraagt ze aan Paul. Over de kip, zegt die. Over hoe die gemest is, hoe die klaargemaakt zal worden, wat ze erbij kunnen eten en welke wijn er het best bij past. En dan doet ze die uitroep. Wijn?

In Pasadena, waar Julia vandaan komt, dronk ze geen wijn en zeker niet overdag. En als ze wijn dronk was het een goedkoop Californisch wijntje, geen Pouilly Fumé. Nu wel. Ze drinken de hele fles op, al heeft Paul haar net uitgelegd dat het geheim van wijn drinken bij elke maaltijd ‘matigheid’ is. Maar vandaag niet. Ze eten oesters en sole meunière, ze drinken de wijn, als dessert is er fromage blanc en dan een filterkoffie en Julia zweeft gelukkig weer naar buiten. Perfect was het. „It was the most exciting meal of my life.”

Dat is een ontroerende uitspraak en het is niet eens moeilijk te geloven, al zal ze heus nog wel meer opwindende maaltijden genoten hebben. Maar ’s middags, in Frankrijk, met in boter gebakken tong, aan het begin van een nieuw leven en dan haar eerste fles echte wijn, dat is zo duizeligmakend heerlijk, zo nieuw, zo opwindend, daar kan nooit meer iets tegenop.

Instant levensgeluk

De woorden ‘lunch’ en ‘wijn’ hebben de bijzonderheid van hun combinatie al lang verloren, bijna niemand wil meer wijn drinken bij de lunch en vaak trekt men er een wat vermoeid gezicht bij en zucht ‘Nee, daar word ik altijd zó slaperig van’. Altijd. Zo slaperig. Dat is iets heel anders dan in één keer de hoogste hemel in geschoten te worden.

Maar de vakantieganger, de levensgenieter, degenen die het woord ‘hedonist’ niet als een modeverschijnsel uit de jaren negentig beschouwen maar als een levensstijl, die doen het soms nog wel. En dan blijkt steeds weer dat een goed gekozen glas wijn bij een aantrekkelijke, niet te zware lunch iets is dat het levensgeluk direct doet toenemen. Misschien juist wel door die toch lichtelijk ongebruikelijke tijd, dat gevoel van feestelijkheid – we doen het! – en natuurlijk door de wijn zelf. De eerste slok van zo’n glas, vooruit, Pouilly Fumé. Dat frisse, groene, volle, die rijkdom die uit zo’n glas je mond in gulpt en daarna door je hele lichaam heentrekt – er is geen andere drank die dat vermag. Wijn heeft precies dat juiste evenwicht tussen geur, complexiteit, alcoholgehalte en smaak dat maakt dat iedereen aanvoelt dat dit een drank is om van te genieten.

Het is niet meer nodig om jarenlang te oefenen om wijn te leren waarderen

Niet eentje die bedoeld is om snel dronken van te worden. „Ik heb nog nooit een jongere gezien”, zei de Franse landbouwminister Didier Guillaume een paar maanden geleden, „die naar een discotheek gaat en dronken thuiskomt, omdat hij te veel Côtes du Rhône of Bordeaux heeft gedronken.” Natuurlijk kreeg hij er veel commentaar op, vooral ook omdat hij wijn een mooie Franse traditie noemde die jongeren vooral moesten leren kennen en dat was niet wat degenen die alcoholisme onder jongeren wilden bestrijden graag wilden horen. Maar het is wel zo, het is een mooie Franse traditie en de Fransman laat zich die niet afpakken – er brak zowat oproer uit onder de oproerpolitie toen men enkele jaren geleden het kwartflesje rode wijn bij de lunch wilde afschaffen. De Franse filosoof Michel Onfray zei eens in een interview tegen Ger Groot dat hij erachter was gekomen dat een voorman van de Franse milieubeweging geen wijn dronk: „Voor mij getuigt dat van een geestelijk gebrek.”

Lees ook: 25 goede wijnen, met iets minder alcohol

Deze mooie Franse traditie is ook in Italië en Griekenland bekend, evenals in Spanje en Portugal. Vroeger deed de rest van de wereld er niet aan mee, aan dat wijndrinken, maar dat is nu over. Overal ter wereld wordt wijn gemaakt, overal wordt wijn gedronken. Waar wijn vroeger iets exclusiefs was, is het nu heel gewoon. Niemand schaamt zich meer voor supermarktwijn, toch heel lang een negatieve kwaliteitsaanduiding. Intussen is daar prima wijn te krijgen. Wijn waar iedereen vrolijk van wordt.

Leren drinken

Dat was heel lang niet zo. Wijn moest men leren drinken. Wijn was – en is soms nog steeds – een drank waarbij de drinker zich af kan vragen of hij het wel waard is, een gevoel dat verder alleen whiskydrinkers de niet-ingevoerde weten te geven. Die twijfel of ze wel genoeg verstand heeft van wat er in het glas zit, of dat wat er geproefd wordt nu werkelijk ‘lekker’ is of vooral ‘bijzonder’. Iedereen trekt een verrukte kop, snuift uitbundig boven het zeer grote glas en de ongeoefende proeft voornamelijk iets zurigs, het tegendeel van dorstlessend (dat is een interessant vermogen van wijn, om in zijn vloeibaarheid toch droog te lijken) en begrijpt niet waarom hier zoveel gedoe over wordt gemaakt.

Maar dat komt niet vaak meer voor. De nieuwe-wereldwijnen waar de kenners aanvankelijk de neus voor ophaalden zijn ingeburgerd geraakt en de oude-wereldwijnen zijn op de nieuwe-wereldwijnen gaan lijken. Makkelijker. Zoeter. Ronder. ‘Veel rood fruit’ zeggen de folders en de sommeliers en waarlijk, je proeft bosbessen en frambozen en kersen alsof wijn helemaal niet van druiven gemaakt wordt.

Aan wijn wordt vaak veel gedaan. Het eerlijke druivensap, zonder toevoegingen, dat krijg je amper meer als je niet op zoek gaat naar ‘natuurwijn’. Er wordt gefilterd en geroerd en gezeefd en gesuikerd – wijn wordt op smaak gebracht als een saus. Er is voor iedereen een wijn, het is niet meer nodig om jarenlang te oefenen om wijn te leren waarderen.

Lees ook: Het alcoholgebruik van de Nederlander is flink veranderd. Tijd voor wat vragen

Wat ook weer spijtig is, want zoals Onfray ook zei: „Het plezier is groter naarmate de complexiteit van hetgeen genoten wordt groter is.” En dan doelt hij niet alleen op wijn. Al is er dus veel te zeggen voor zulke verdieping, er is ook veel te zeggen voor het zorgeloos genieten van ‘doe-maar-een-Merlot’ en dan die vriendelijke ronde smaak te proeven die bij bijna alles wel leuk meedoet. De zware fonkelende rode wijnen in grote glazen bij een heerlijk stukje gebraad, de idioot heerlijke combinatie van koele Sauternes en roquefort, of die lunch, in de schaduw, de zon blikkert in de verte op de zee, de stemmen klinken gedempt in de buitenlucht en de wijn is koel, dorstlessend, bijna groen, en er is genoeg, en er is vis, en er is ook genoeg gespreksstof en genoeg geluk en genoeg goudstof voorhanden om te weten dat het leven verrukkelijk is.