‘Hitler is juist enorm menselijk’

Jennifer Nansubuga Makumbi In haar indrukwekkende debuutroman verwerkte deze Oegandese schrijver een familiegeschiedenis en rekende ze af met haar demonen.

Jennifer Nansubuga Makumbi: "Hitler was een van ons. Als je een monster van hem maakt, vergeet je dat we zelf tot zoveel slechts in staat zijn."
Jennifer Nansubuga Makumbi: "Hitler was een van ons. Als je een monster van hem maakt, vergeet je dat we zelf tot zoveel slechts in staat zijn." Foto: Lars van den Brink

‘Mijn land is gebouwd op tragiek”, vertelt Jennifer Nansubuga Makumbi wanneer we elkaar in Den Haag spreken over haar romandebuut Kintu. Die gaat over haar geboorteland Oeganda. Aanvankelijk wilde geen enkele Britse uitgever het boek publiceren – te ‘Oegandees’ – maar toen het uiteindelijk werd opgepikt, werd het goed ontvangen, met typeringen als ‘episch’ en ‘de grote Oegandese roman’. Clichés, maar met een kern van waarheid, want Kintu vertelt de geschiedenis van een familie in Oeganda, waarbij verschillende registers worden opengetrokken en veel onderwerpen aan bod komen: racisme, identiteit, gekte, kolonialisme, Idi Amin – de man die haar vader liet oppakken en geestelijk kapot maakte.

In Kintu volgen we de bloedverwanten van de mythologische oervader Kintu, die al dan niet in een vlaag van waanzin in 1750 zijn zoon vermoordt, waarna er een vloek op de nazaten rust. En dan komt het niet meer goed: zo ook niet met de bloedverwant die in 2004 door de politie ten onrechte voor dief wordt aangezien en prompt in de rug wordt geschoten. Na deze openingsscène volgen verschillende familieverhalen. De uitwerking van de vloek, het verlangen het verleden te vergeten en vooral de tragiek die het verleden met zich mee brengt, dragen de roman.

Uw roman gaat over gekte én over het vinden van identiteit. Zijn deze met elkaar verbonden?

„Ze komen samen wanneer het over Oeganda gaat. Ik schreef over geestesziekte in een familie, maar ook over hoe die kon ontstaan na de kolonisatie door de Britten. Het boek begint in de tijd vóór de kolonisatie. Er was toen geen perfecte samenleving, er waren problemen, maar het waren wel hún problemen. En ook hun schoonheid en hun wereld, totdat de kolonisatie begon. Toen viel alles uit elkaar en ontstond de gekte: in de familie en in de natie. Het verhaal is een geschiedenis van Oeganda en laat zien hoe het misging met het land.”

Is genezing van die gekte mogelijk?

„Ja, maar die moet wel van binnenuit komen. In Europa denkt men hoofdschuddend: O god, ze maken elkaar af, of: oh nee, nu doen ze dit – we geven ze geld. Dat is geen genezing. En er zijn mensen die het tegenovergestelde roepen: Africa is rising. Echt idioot. Jullie democratie heeft zich met horten en stoten in 2000 jaar ontwikkeld. Die vorm kan je niet meteen naar het Afrikaanse continent brengen om dan vijftig jaar later de vraag te stellen: wat is er mis met ze?”

De Oegandees Victor Ochen ervoer zelf als kind de gruwelen van oorlog. Nu wil hij een academie oprichten die Afrikanen opleidt om conflicten te beslechten. Lees ook: ‘Jonge Afrikanen moeten niet sterven voor hun leiders’

Is democratie überhaupt de ideale vorm?

„Dat weten we niet. We kijken nu naar China. We waren altijd gericht op de VS, maar nu Trump er zit, wordt er veel meer naar China gekeken. Trump laat ook zien: je kan in een democratie tóch een dictator zijn voor vier of acht jaar.”

Terug naar de gekte, hoe aantrekkelijk is gekte als literair motief?

„Niet zozeer aantrekkelijk, maar wel een bruikbaar motief. Toen ik in Groot-Brittannië studeerde, merkte ik dat er een vervormd beeld is van Afrika. Veel van wat wij normaal vinden wordt bij jullie als gek gezien. Ik gebruikte die ‘gekte’ puur en alleen om te kunnen praten over een natie, een familie en over een ras.”

Gekte slaat niet alleen op de westerse blik op Afrika. Bij Shakespeare lopen er voornamelijk gekken rond. Het waanzinnige personage is bij veel schrijvers geliefd.

„Ja, dat is waar. Maar gekte is vaak een oordeel achteraf. In mijn boek vindt een waanzinnige daad in een ver verleden plaats, maar op het moment zelf werd die niet als zodanig ervaren. Voor mij is gekte een westerse blik die wordt opgelegd aan Afrika. Wat het Westen ziet als gekte, zien wij als onderdeel van het leven. Ik denk bijvoorbeeld dat we meer dan vijf zintuigen hebben, dat we kennis hebben van wat er niet is. Die kennis is door het Westen onderdrukt omdat die ongrijpbaar was, maar wij waren er van afhankelijk.

Ik kan in Oeganda lopen en het gevoel krijgen dat er iets mis is. Je stopt en je ziet een slang. Waar komt die kennis vandaan? Als ik me dit op een westerse universiteit hardop afvraag, word ik uitgelachen. Ik heb het echt alleen maar over een andere manier van weten, niet over een medium of geesten, maar over andere zintuigen. Ik wil dat Afrika weer naar zichzelf terugkeert, op zoek gaat naar die oude kennis. Het is alsof de kolonisatie alles heeft overgeschilderd wat Afrikaans is, maar er komen nu schilfers van die verflaag af en het oude weten van vóór de kolonisatie kan weer tevoorschijn komen.”

Foto: Lars van den Brink

Dus wat u in de roman als vloek neerzet, is wat wij in het Westen gek noemen?

„Ja. In Oeganda zullen de meeste lezers alleen de vloek zien, niet die gekte. Ze zullen zeggen, zag je de voortekenen dan niet? Zij zien de aanwijzingen die aan de vloek voorafgingen. Europeanen zien alleen vlagen van waanzin. In Oeganda zien ze het deels als een variant op het scheppingsverhaal van onze geschiedenis. Oegandese lezers realiseren zich dat het fictie is, geworteld in geschiedenis.

„Ik schreef het voor de niet-Baganda. De Britten wezen indertijd de Baganda aan als het belangrijkste volk van Oeganda. Ik ben een Baganda en wilde laten zien waar wij vandaan komen. Ik wilde de Baganda laten zien wat we deden, hoe er tegen ons werd aangekeken, en de niet-Baganda duidelijk maken: dit is wat de Britten van ons gemaakt hebben. De Britten zetten er indertijd een koning neer en de rest van het land denkt: pardon?”

Makumbi lacht hard wanneer ze het over die Britse houding heeft. Dat verandert wanneer ze over haar vader vertelt, over en wat er gebeurde toen hij door Idi Amin werd opgepakt. Amin komt in haar breed uitwaaierende roman alleen zijdelings aan de orde, en dan als iemand die bijvoorbeeld het onderwijs emancipeerde. Ook hier geldt dat de blik van het Westen op de dictator Amin, die van 1971 tot 1979 over Oeganda heerste, haar stoort.

„Ik had gelezen dat hij in het Westen werd gezien als een monster. Toen ik in Groot-Brittannië aankwam en mensen over Idi Amin hoorde praten alsof hij een kannibaal was, voelde het alsof er aan mij werd gerefereerd als kannibaal. Hij is onderdeel van mijn land, onderdeel van mij. Dan bereik je een moment waarop je zegt: terug jij, dit is ons monster. Ik wilde hem in mijn roman humaniseren, omdat de pijn dan meer betekenis heeft dan wanneer je hem dehumaniseert. Dit is hoe het Westen omgaat met het verleden: als het Westen het over Hitler heeft, is het een monster, hij wordt ontmenselijkt.”

Misschien bereiken sommigen een punt waarop ze het recht hebben verspeeld om als mens te worden gezien?

„Nee, want dat is precies het probleem. Je kan hem ontmenselijken en er een beest van maken, maar Hitler is juist enorm menselijk. Alleen mensen doen wat hij deed, geen enkel dier doet dat. We moeten laten zien hoe hij pijn lijdt, verdriet heeft, zich zorgen maakt en lacht: dat maakt hem tragisch. En dan kom je op een punt waarop je zegt: hij is net als ik, hoe heeft hij dit kunnen doen?”

Gruwelijkheid en luchtigheid trekken samen op in Mijn zusje, de seriemoordenaar. Lees ook: De moordlustige zuster heeft weer eens een mes gestoken in een vriendje

Als iemand tragisch wordt, ga je met hem sympathiseren.

„Dat moet juist, je moet iemand dichtbij halen en beseffen dat jij er ook toe in staat bent. Ik haat het dat we onze slechtheid ergens parkeren alsof die niet bij ons hoort. Hitler was een van ons. Als je een monster van hem maakt, vergeet je dat we zelf tot zoveel slechts in staat zijn.”

Idi Amin is een geëmancipeerd man in uw boek, hij zorgt voor breder onderwijs, discrimineert moslims niet. Is hem zo neerzetten niet het andere uiterste?

„Als je ziet dat hij voor sommige mensen goed was, wordt hij weer menselijk. En dat maakt me juist extra angstig voor hem, niet het beeld dat het Westen van hem heeft geschapen. Het is juist zijn mens-zijn dat me bang maakt. Ik stopte dus de menselijkheid weer in Idi Amin en ik hoop dat mensen menselijkheid gaan zien als iets beangstigends.”

Menselijkheid terugbrengen tot iets waar we bang voor moeten zijn, lijkt me niet echt nastrevenswaardig.

„Het probleem is dat we de menselijkheid niet willen zien in onze monsters. Omdat we er juist zo enorm bang voor zijn.”

Als je bedenkt dat uw vader is opgepakt door Idi Amin, dan is deze benadering van Amin toch verwarrend.

„Als ik het boek had geschreven met de woede en de pijn die ik toen voelde, dan was dit geen goed boek geworden. Ik wil lezers niet manipuleren met die overduidelijke pijn. Tegelijkertijd is het voor mij verbijsterend dat iemand met de intelligentie van Amin – die veel deed voor gelijke rechten van moslims in mijn land op gebied van onderwijs, werk en gezondheidszorg – mijn vader liet oppakken omdat die niet akkoord ging met de ‘rubber cheque’, een cheque waar geen geld op stond. Hoe kon Amin veel doen voor moslims en tegelijkertijd mijn vader, en mij dus, zo behandelen? Het was een traumatisch moment. Ik was acht jaar oud toen hij werd opgepakt. Mijn vader was een mooie man, belachelijk knap, dat zag ik zelfs als kind. Hij was heel lang en had een enorm Afro-kapsel. Ik bewonderde hem.”

Wat gebeurde er?

„In gevangenschap hadden ze zijn haar afgeknipt. Bij terugkomst zag hij er anders uit. Hij was er in elkaar geslagen. Ik zag een man waarvan ik altijd dacht dat hij iedereen kon verslaan, maar hij was een soort in elkaar getrapte bal geworden. Een paar maanden later werd hij gek. Hij maakte met niemand meer contact, sprak in zichzelf. Met zijn arrestatie is hij eigenlijk gestorven. Dat ik Amin heb vermenselijkt, zegt ongetwijfeld veel over mij, maar voor mij was het juist noodzakelijk om de gruwelijkheid te benadrukken.”