Onschuldig

Anne Hermans is huisarts in Nieuw-Zeeland. Ze schrijft columns op basis van haar ervaringen.

‘Dat is het wel zo’n beetje, denk ik.” Ze laat haar papier zakken en kijkt me aan. Ik werp een blik op de aantekeningen die ik heb gemaakt tijdens haar ruim vijf minuten durende monoloog. Moeheid, migraine, buikpijn, oorsuizen, pijn op de borst, misselijkheid, pijn tijdens het vrijen, eczeem op haar handen en rugpijn. Hoe besteed ik de negen minuten die we nog hebben het best?

„Er is nogal wat gaande”, zeg ik ten slotte. „Dat moet een flinke impact op je leven hebben. En je zoontje vraagt natuurlijk ook aandacht. Hoe voel je je eigenlijk?”

Het is even stil. Haar ogen vullen zich met tranen, ze bijt op haar onderlip. „Sorry”, snikt ze dan. Ik schuif de doos met tissues naar haar toe. „Geeft niks. Dit is waarschijnlijk een van de beste plekken om te huilen.” Ze glimlacht door haar tranen heen. En begint te vertellen. Ze is al jaren somber en angstig. Elke ochtend is het een strijd om uit bed te komen. Ze knikt naar haar zoontje, die in een hoek van de kamer zit te spelen. „Als het niet voor hem was…” Ze vertelt me over haar jeugd, hoe haar vader het gezin terroriseerde. Toen ze zeventien jaar was vluchtte ze het huis uit, ging samenwonen met haar vriend. Maar die werd steeds gewelddadiger en seks werd dagelijks door hem afgedwongen. „Ik begon meer te werken om niet thuis te hoeven zijn. Mijn baas dacht dat dat een toenadering was en begon insinuaties te maken. Hij stond vaak plotseling achter me, mijn schouders te masseren. Uiteindelijk ben ik met mijn zoontje naar deze regio gevlucht. Ik dacht dat daarmee alles opgelost was, maar ik voel me nog steeds zo onveilig.” Ze veegt haar wang af, plotseling vlammen haar ogen. „En kwaad! Dat mensen grappen maken over MeToo-campagnes. Ze doen alsof het onschúldig is; een schuine grap, een hand op je bovenbeen. Maar ze hebben geen idee hoe het voelt als”, ze hapert, „je lichaam niet meer van jou voelt, alsof het een soort publieke ruimte is, waar elk moment iemand binnen kan lopen.”

Een week later sta ik in de rij bij de supermarkt en vraag me af waarom ik ook weer had besloten boodschappen te gaan doen met een oververmoeide peuter en kleuter. Mijn dochter zit met haar vingers in het snoepvak en mijn zoontje krijst vanuit het karretje de hele supermarkt bij elkaar. Als ik hem eruit haal is hij acuut stil en lacht triomfantelijk naar de caissière. Onhandig probeer ik met mijn andere hand mijn portemonnee te vinden. „Zal ik hem even vasthouden?” Ik kijk op, herken het meisje van vorige week achter me in de rij en geef haar dankbaar mijn zoontje. Terwijl ik mijn pincode intoets zie ik uit mijn ooghoek opeens hoe hij twee handen diep in haar shirt steekt en vervolgens zijn hoofd tussen haar borsten begraaft. Ik verstijf, trek hem paniekerig uit haar armen en begin hakkelend een verhaal met veel ‘sorry’ en iets over borstvoeding. Ze schiet in de lach. „Don’t worry. Op deze leeftijd ís het onschuldig.”

Om de privacy van betrokken patiënten te respecteren, zijn herkenbare details aangepast.