Foto Frank Ruiter

‘Ongelukkig zijn is een stuk gevaarlijker dan matig drinken’

Lunchinterview Ap Dijksterhuis (50) hoogleraar psychologie en wijnkenner, heeft zichzelf uit lijfsbehoud op drankrantsoen gezet. „Er is geen ontkennen aan: het is beter om niet te veel te drinken.”

Doe mij maar, zegt Ap Dijksterhuis (50), een dikke chardonnay. We zitten in het restaurant van zijn keuze, Vesters, op loopafstand van zijn huis in Nijmegen. Hij is hoogleraar psychologie, ondernemer, spreker en schrijver van boeken over onderwerpen die hem interesseren: reizen, geluk en wijn. Zijn boek De merkwaardige psychologie van een wijndrinker is alweer een paar jaar oud, hij schreef het in 2011. Dat was nog net de tijd waarin wetenschappers nog probeerden te bewijzen dat een béétje drinken juist gezond was. Gezonder zelfs dan niet drinken. Dat geloofde Ap Dijksterhuis toen ook al niet. Wie zegt dat hij een „borreltje drinkt voor de bloedsomloop”, schreef hij, „houdt zichzelf voor de gek”. Als je wat gezonds wilt doen, zegt hij, eet dan een trosje druiven. „Wijn drink je omdat het zo geweldig lekker is.”

Eten, ook een grote hobby van hem. Dus als de restauranthoudster heeft opgenoemd wat de keuken vandaag zoal kan maken – corvina, tarbot, lamsnek, eventueel gevolgd door kaas en/of friandises – dan zucht hij. „Nu wil ik dat dus allemaal.” En die wijn, vervolgt ze, moet die per se dik zijn? Ze schenkt twee glazen halfvol, één met chardonnay en één met marsanne. „En nu moet ik zeker proeven wat wat is?”, zegt Ap Dijksterhuis, enigszins gespannen. Dat hoeft hij niet, ze zet achter elk glas de fles waaruit ze inschonk. Hij proeft als een professional – hij heeft tenslotte zijn wijnbrevet. „Droppig”, zegt hij. Zurig, vind ik. We houden het bij de witte wijn waarom hij vroeg.

Niet wijn maar whisky was aanvankelijk zijn liefhebberij, in de wijnkelder onder zijn herenhuis liggen ook 900 flessen single malt die hij in de loop der tijd verzamelde. Die gaan veel minder snel op dan de wijnflessen die er ook in ruime mate liggen, want „whisky drink je niet, die proef je”. Wijn dronk hij wel, maar niet meteen van harte. Hij is opgegroeid in een gehucht bij Zutphen, en „aan deze kant van de IJssel”, zo tegen de Achterhoek aan, is het bierland. „Een man die wijn dronk, vonden ze daar hômô.”

In de bossen bij zijn dorp stonden caravans die zomers bewoond werden, maar de rest van het jaar niet. „De deuren zaten nooit op slot, dus daar zat ik altijd met een vriend.” Hij dronk er op z’n veertiende zijn eerste fles wijn, in de caravan achtergelaten door vakantiegangers. Rode wijn was het. En het was geen feest. „Mijn vriend moest overgeven. Ik heb daarna twee jaar geen wijn meer gedronken, alleen nog bier.” Pas jaren later, hij studeerde psychologie in Nijmegen, leerde een oudere studente die er wat van wist, hem wijnen drinken die hij wel lekker vond. „Ik dronk het, maar zonder me er verder in te verdiepen.”

Psychologische lenigheid

Zijn huidige vriendin, Madelijn, ook psycholoog, leerde hij ruim tien jaar geleden kennen. Zij had niks met whisky, wel met wijn, dus daar zijn ze toen „samen ingedoken”. Naar Frankrijk met vakantie, wijnhuizen bezoeken, proeven, flessen kopen, met volgeladen auto terug naar huis rijden. Over die „uit de hand gelopen hobby” schreef hij toen dat wijnboek. Over de psychologische mechanismen die eraan ten grondslag liggen: de voorpret, het ranglijstjes maken, het verzamelen en de koopdrang die daar weer mee samenhangt. En ook: de psychologische lenigheid die nodig is om aan zichzelf – van huis uit gereformeerd en nogal sober grootgebracht – uit te leggen dat die peperdure fles een heel verantwoorde uitgave is. Psychologen noemen dat dissonantiereductie, en dat fenomeen zou hem wel eens goed van pas kunnen komen na de recente wetenschappelijke publicaties waaruit blijkt dat ook een beetje alcohol – één glas per dag – al schadelijk is voor de gezondheid. Vraag aan Ap Dijksterhuis: hoe houdt een wijnliefhebber, dit wetende, zich staande?

We zijn bezig met het eerste gerecht, hij met zijn tweede chardonnay. „Veel drinken is niet goed”, zegt hij. Hij heeft de cijfers er nog eens op nageslagen en, inderdaad, de negatieve gezondheidseffecten van alcohol zijn schrikbarend. Roken is erger, zegt hij, en bergbeklimmen is ook heel gevaarlijk, maar goed, daar hebben we het nu niet over. „Recent Brits onderzoek laat zien dat er eigenlijk niet valt te meten welke hoeveelheid alcohol nog wel veilig is. Vandaar het advies van de Britse én Nederlandse gezondheidsraad om nul alcohol te drinken.” En natuurlijk vindt hij daar iets van. „Het gezondheidsrisico bij matig drinken mag iets hoger zijn, maar het blijft bijna verwaarloosbaar klein.” Hij rekent voor: „Als je een kans van 1 op 1 miljard hebt om een bepaalde vorm van kanker te krijgen, en met drie glazen alcohol per dag blijkt die ineens 1 op 333.333.333, dan heb je 3 keer zoveel kans, een toename van 300 procent. Dat klinkt heftig, maar nog steeds geldt: de kans dat je het krijgt, is heel klein.”

Wil je iets gelukkiger 83 worden?

Bij glas drie komt hij met een rekenvoorbeeld dat hij speciaal voor de gelegenheid heeft bedacht, om aan te tonen dat dit soort statistisch onderzoek je op het verkeerde been kan zetten. Hij zocht op hoeveel mensen er in 2015 in de tien grootste Nederlandse steden woonde. Deelde dat door het aantal overledenen. „En dan zie je dat de kans dat een Utrechter overlijdt 54 procent groter is dan die van een Groninger. Trek je dan de verkeerde, want veel te gemakkelijke conclusie: ga niet in Utrecht wonen, want dat is levensgevaarlijk?”

Hij leunt genoeglijk achterover, wachtend op de volgende gang, met bijbehorende rode wijn. Tegelijkertijd met de zachtgegaarde lamsnek komt zijn afsluitende rechtvaardiging op tafel, gebaseerd op onderzoek van gelukshoogleraar Ruut Veenhoven van de Erasmus Universiteit Rotterdam: „Matige drinkers blijken gelukkiger te zijn dan mensen die veel drinken én dan mensen die niet drinken.” Waarmee wat hem betreft het dilemma voor iedereen die van een drankje houdt, heel simplistisch en gechargeerd gezegd, valt terug te brengen tot: wil je gelukkig 85 jaar worden, of nog iets gelukkiger 83?

Lichaam én geest hunkeren

Hem brengt wijn geluk. Of misschien beter gezegd: plezier. Dus hij drinkt. Elke dag? „In principe drink ik van zondag tot en met dinsdag niet.” Heeft hij op een van die dagen iets sociaals waarbij gedronken wordt, dan neemt hij wat fris of alcoholvrijs. „Niet rigide. Als mijn whiskyclub op zondag verzamelt, dan drink ik.” Op de overige vier dagen van de week probeert hij zich te beperken. Dus toch? Hij luistert wél naar de wetenschappelijke waarschuwingen? Er is geen ontkennen aan, zegt hij, het is beter om niet te veel te drinken. Beter voor zijn gewicht, zijn (te hoge) bloeddruk, kortom, zijn gezondheid. En bij hem gaat minderen niet helemaal vanzelf. Beter een paar dagen niks, dan elke dag minder.

Nu is het woensdagmiddag, dus hij mocht weer. En hij zal niet ontkennen dat hij daar aan toe was. Hevig naar iets verlangen heet in zijn vakgebied craving. Bij alcohol dubbel lastig, want het lichaam én de geest hunkeren ernaar. Maar verslaafd zou hij zichzelf niet willen noemen. „Van de zomer was ik drie maanden op reis, in Azië, Turkmenistan, Kazachstan. Dan komt het voor dat ik twee weken achter elkaar niet drink. Dan denk ik er zelfs nauwelijks aan.” Maar, toegegeven, zodra hij in een omgeving komt waar iets gedronken mag worden, gaat hij voor de bijl.

Of we kaas willen of een dessert? Ap Dijksterhuis doet zichtbaar zijn best te bedanken, twijfelt, capituleert voor én én in plaats van of, en laat zich dan ook maar de dessertwijn inschenken. Ik lees hem voor wat hij in zijn wijnboek destijds voor positiefs over drinkers bij elkaar sprokkelde uit wetenschappelijk onderzoek. Nieuwsgierige mensen zijn gelukkiger én drinken meer, schreef hij, en alcoholdrinkers zijn extraverter en minder geneigd zich te conformeren.

Hij knikt, verrast door wat hij zelf al vergeten was, bevestigend. Mensen die niet drinken, schreef hij ook, zijn gemiddeld minder ambitieus en competent dan mensen die met mate drinken. Weer knikt hij. Maar wat dat ‘met mate’ precies inhoudt, of dat een glas per dag is of per maand, dat vertelde hij er toen niet bij. Nu ook niet trouwens.

Gedachteloos genieten

Conversation is the enemy of good wine, schijnt Alfred Hitchcock gezegd te hebben. De vraag is nu of zijn plezier in wijn deze lunch bedorven is door ons gepraat over de risico’s ervan. „Om echt te genieten van wijn moet je geconcentreerd proeven met mensen aan tafel die hetzelfde ervaren. Daar moet je ook niet in doorslaan en te geconcentreerd proeven, want dan ben je je ervan bewust dat je aan het genieten bent. Dat noem ik meta-genieten en de paradox daarvan is dat het genieten meteen
stopt.”

Praten en drinken tegelijk is volgens hem een meer gedachteloze vorm van genieten, die hij ook ervaart als hij aan het koken is en zichzelf vast een glas wijn inschenkt. „Niks mis mee.” Dus nee, het genoegen van wijn zal hij zichzelf niet snel ontzeggen. De „verwaarloosbaar kleine” risico’s van alcohol neemt hij voor lief. Daags na de lunch mailen we over het nieuwste wetenschappelijk onderzoek, waarin ook zeer matig drinken wordt ontraden. Niets om van te schrikken, schrijft hij. „Ongelukkig zijn is een stuk gevaarlijker.”