Recensie

Recensie Boeken

‘Nooit’ is te lang om te kunnen bevatten

Boekrecensie: Stad vol ballonnen Na het overlijden van Eberhard van der Laan schreef zijn vrouw Femke over haar rouw. „Niets is zo aanwezig als de dood.”

Bloemen en ballonnen bij de ambtswoning van Eberhard van der Laan.
Bloemen en ballonnen bij de ambtswoning van Eberhard van der Laan. Foto Mischa Schoemaker/ANP
    • Kester Freriks

„De kinderen vinden het fascinerend dat we buren hebben”, schrijft Femke van der Laan (40) in een van haar columns voor Het Parool die nu zijn gebundeld in Stad vol ballonnen. Een jaar van rouw. „Op de Herengracht hadden we alleen bedrijven naast ons, en zelf woonden we eigenlijk ook boven de zaak, maar nu is er een trappenhuis met geluiden en geuren.”

Kort na het overlijden van haar man, burgemeester Eberhard van der Laan, op 5 oktober 2017 begon Femke van der Laan haar columns – vijftig weken lang, allemaal heel precies op lengte van 450 woorden. Het zijn telkens nieuwe vignetten over rouw en verlies, over herinneringen en nieuwe ervaringen.

Een cruciale rol spelen de drie jonge kinderen van het echtpaar Van der Laan, twee meisjes en een zoontje. Ze hebben in haar columns geen naam, ze heten eenvoudigweg de oudste, middelste en jongste. De naam Eberhard komt opvallend weinig voor, veelal is het ‘hij’ of ‘vader’. Nadrukkelijk schrijft ze ergens dat het boek niet gaat over hem, de burgervader van de stad, maar over het afscheid moeten nemen van een dierbare door ziekte. En Amsterdam is gewoonweg de stad, met haar terrassen, cafés, straten, scholen voor de kinderen. Ergens aan de rand van die stad ligt een begraafplaats, waar ze het graf bezoeken van Eberhard. Die begraafplaats heeft evenmin een naam; het is in werkelijkheid De Nieuwe Ooster.

Lees ook: Zeven jaren Van der Laan in de hoofdstad

Van de ambtswoning aan de Herengracht tot aan een bovenetage in De Pijp: dat is de belangrijkste beweging die weduwe Van der Laan en haar drie kinderen maken. De eerste ontmoeting in het trappenhuis met de onderbuurvrouw, de ‘buuf’, is tekenend. Zij weet niet wie de nieuwe bewoonster is: „een vrouw alleen: gescheiden, met drie kinderen en een nogal beroerde omgangsregeling”, noteert Van der Laan met gepaste maar ook licht-wrange ironie. De buuf vertelt meteen haar levensverhaal, geboren op de Albert Cuyp, zeventien jaar woont ze hier al. Het nieuwe gezin mag gerust bij haar aankloppen. Maar ze wil kennelijk niet weten wie de nieuwe bewoonster is, want ze stelt geen vragen. Hartelijk en toch op haarzelf, deze buurvrouw. Amsterdamser kan het niet.

Met regelmaat beschrijft Femke van der Laan haar anonimiteit. Toen haar man nog leefde, werd ze vaak aangezien voor zijn woordvoerder. Nu hij dood is, herkennen mensen haar niet. Ze was altijd de vrouw van, nu is ze de weduwe van. Opvallend aan de columns zijn de distantie en precisie. Over Van der Laan zelf, hoe ze elkaar ontmoetten op zijn advocatenkantoor Kennedy Van der Laan, over zijn werk als burgemeester, zijn ziektegeschiedenis en uitvaart komen we nauwelijks iets te weten.

De schrijfster heeft een ongekend scherp oog voor details, en dat maakt haar boek aangrijpend. Ze zoomt in op een traan in het oog van haar kind, op het glanzende, krullende haar van hun dochter dat ze van haar vader heeft en op de nieuwe voetbalschoenen van de jongste. Dat de oudste bijna vanzelfsprekend de rol van de vader overneemt in het gezin, benoemt ze nauwelijks. Ze laat het zien aan de manier waarop de oudste dochter bezorgdheid toont. Bijvoorbeeld als moeder ‘au’ roept in de keuken. Dan gaat ze meteen kijken.

Dat inzoomen op die kleine wereld van een moeder met drie kinderen maakt de kracht van Stad vol ballonnen uit. Het beeld van de ballonnen is prachtig: dat zijn de herinneringen aan vroeger toen Eberhard nog leefde en die, zoals een ballon, aan een touwtje aan je pols zitten. Het is bijna een vrolijk beeld.

‘Dit is wel heel anders dan toen papa doodging hè?’, merkt de oudste op

De scherpe blik voor details schuilt ook in de ontroerende beschrijving van de dood van een buurman in hun straat. De politie en lijkschouwer komen, waarna het lichaam meegenomen wordt in een zwarte wagen. Met een plank wordt de deur dichtgespijkerd.

„Dit is wel heel anders dan toen papa doodging hè?”, merkt de oudste op. Ja, toen legden mensen een zee van bloemen neer aan de Herengracht, staken ze kaarsjes aan, lagen er opeens zestien beertjes voor de deur en „staat er een foto van papa met allemaal hartjes”, zoals de kinderen zeggen. Na schooltijd gingen ze kijken naar de verse aanvoer.

Na de dood van Eberhard van der Laan dichtte stadsdichter K. Schippers over de „leegte” die hij achterlaat: „De leegte / rukt op, de burgemeester zit er middenin”. Over die nauwelijks benoembare leegte gaat Stad vol ballonnen.

En over het al even ongrijpbare begrip ‘nooit’. Het nieuwe huis in De Pijp zal Van der Laan ‘nooit’ zien en de keuken in de ambtswoning zullen de moeder en haar kinderen ‘nooit’ meer binnengaan. „De dood en nooit zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden”, schrijft Femke van der Laan. „Het besef dat ik hem nooit meer zal zien, dringt maar mondjesmaat door. Nooit is te lang om in één keer te kunnen bevatten.”

Van der Laans boek is geen emotionele hartenkreet, zoals bijvoorbeeld de Amsterdamse rouwboeken van Petra Possel Vrouw in de rouw (2013) of het grootse Tonio. Een requiemroman (2011) van A.F.Th. van der Heijden. Van der Laans ballonnen vullen de lege hemel boven de stad met herinneringen en voor de lezer zijn er beklemmend mooie notities, bijna als poëzie, zoals deze: „Niets maakt zo aanwezig als de dood. Over mensen die leven denk je niet zo veel na. Die zijn er. Ergens. Die zie je straks. Of morgen. Of misschien over een jaar pas weer. Maar die zitten niet met een touwtje aan je pols.”

Femke van der Laan. Stad vol ballonnen. Een jaar van rouw. Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 160 blz. € 15,-.

●●●●