Ik vind het geweldig, het fietsen in Nederland

Welkom in Nederland woonde vijf jaar in Schotland. Het tweede deel van een korte serie over wat haar opvalt nu ze weer terug in Nederland is.

Als ik de bocht om ga en luchtig precies met de juiste hoek over de tramrails rijd, weet ik dat ik thuis ben.

Ik heb het geneuzel dat fietsen zo ontzettend Nederlands is, altijd nogal overdreven gevonden. Zo bijzonder is het ook weer niet dat mensen fietsen, ze doen het in de rest van Europa, Kopenhagen is tot beste fietsstad verkozen en in China hebben ze nog veel meer fietspaden dan in Drenthe.

Voor de schilder die net uit zijn busje stapt, maak ik een kokette bocht, en de oudere dame en ik glimlachen van verstandhouding als we elkaar in een smalle straat aan de verkeerde kant passeren. Het is mijn eerste week terug in Nederland en ik fiets op een ov-fiets door Amsterdam. Als ik even later door een onoverzichtelijk stuk rijd waar voetgangers en fietsers met de grootste vanzelfsprekendheid door elkaar bewegen, ben ik bijna dronken van geluk.

Een vriendin van mij in Schotland was werkzaam bij de Vereniging ter Bevordering van het Fietsen. Voor de nationale fietsweek organiseerde ze een School Challenge, een Mountain Bike Olympics en een Bike Festival. Ze had mij gestrikt voor de Girls Bike Ride.

„Hi, hier is mijn Nederlandse vriendin dames, die zal ons eens laten zien wat fietsen is.”

De dames keken nieuwsgierig naar mijn outfit: jeans, bergschoenen en een regenjas. Ik stelde vast dat zij allemaal van top tot teen in lycra waren. Op sportfietsen.

„Ehm, ik heb wel een geel hesje voor je en een helm”, zei mijn vriendin die goed georganiseerd was met een auto vol extra benodigdheden. Ze had het mij verkocht als gewoon een rondje om het Loch fietsen, niet als een wielersport-evenement. „Dan leer je wat mensen kennen.”

Even later gingen we op weg. De vrouw naast me lag voorovergebogen over haar stuur en keek strak voor zich uit. Ik stelde het babbeltje dat ik wilde beginnen nog maar even uit. Vijf kilometer verder en driehonderd meter hoger, had ik ook niets meer te zeggen. Ik was de allerachterste in de rij, zweette als een otter en had de helm al drie keer vergeefs proberen te verstellen naar iets minder oncomfortabel. Bergschoenen waren natuurlijk al nooit een goed idee geweest maar ze leken beter dan gympen in deze nattigheid. Want natuurlijk was het gestaag begonnen met regenen.

‘We vonden dat Nederlanders zo vreemd keken als ze fietsten’

Uiteindelijk hield ik toch de naam van mijn land hoog omdat ik in de regen de groep kwijtraakte en een verkeerde afslag nam waardoor ik als eerste weer bij ons beginpunt aankwam. De dames dachten het al wel, als je met zo’n nonchalance meedoet, moet je wel keigoed zijn.

Naborrelend bij de vriendin liet ze me foto’s zien van toen ze in Nederland op vakantie waren. Ze logeerden in Baarn en ik zag dat ze los waren gegaan in de plaatselijke fietsverhuur als kinderen in een snoepwinkel. Ze hadden een tandem gehuurd voor hun twee oudste jongens, een transportfiets voor moeder en andere zoon, en een bakfiets voor vader en het jongste, gehandicapte kind. Ze stralen bij de ANWB-paddestoelen, naast de picknickbankjes, op een lang plat fietspad door een veld en in een dorpje waar ze een ijsje eten naast hun fietsen tussen de rest van even afgestapt Nederland.

„We vonden alleen dat Nederlanders zo vreemd keken als ze fietsten. Het was op onze eerste ochtend toen we net bij de fietsverhuurder wegreden en we in een stroom fietsers zaten. Opeens begrepen we wat het was: al die mensen gingen ergens naartoe.”

„Ja?” Dat was toch meestal het doel van fietsen?

„Naar hun werk, of naar school. Ze keken niet alsof ze aan het fietsen waren.” Ik moest even denken hoe dat eruit moet zien, als je niet kijkt of je aan het fietsen bent. De dames in de Girls Bike Ride hadden inderdaad heel geconcentreerd gekeken. Ik zag voor me dat een groep Nederlandse scholieren voornamelijk aan iets anders dacht dan dat ze aan het fietsen waren.

„Maar als we in een bos fietsten was het nog vreemder, dan keek iedereen je aan en maakte zelfs een praatje onder het langsrijden!” Dat is dan weer het effect van rechtop zitten zonder helm.

Toen ik op dat eerste fietstochtje in Amsterdam afstapte om een winkel in te gaan, was dat een vergissing, ik raakte uit de flow. Een pizzabezorger scheerde rakelings langs me en schreeuwde me iets toe. Een man in pak met een laptoptas in een speciaal houdertje achter op zijn fiets wist net langs me te gaan maar sneed daarmee een moeder op een bakfiets met drie peuters af. Ik sleurde mijn fiets haastig de stoep op, bijna tegen een man aan die zijn fiets uit een stalling aan het halen was.

Verbijsterd moest ik vaststellen dat ik het overzicht kwijt was. Al die fietsen, brommers, motors, brede bakfietsen, snelle stadsfietsen, ze zoefden zonder ophouden langs en ik stond aan de kant en het duizelde me. Vijf jaar autorijden had zijn tol geëist.

Lees ook: Oorlog op het fietspad

„David heeft nog steeds een natte droom over een fietsster die we tegenkwamen in Amsterdam”, vertelde Emma me nog.

„Dat is ook volledig terecht”, zei David ernstig. „We stonden voor een stoplicht en zij stond voor ons. Het was een lange blonde vrouw, ze droeg een rode jurk met rode stiletto’s. Toen het licht op groen sprong, stapte ze op. Ze had een sportfiets.” Davids blik gleed naar dromerige verten.

„Gewoon doodgaan is makkelijker”, zei mijn man na zijn eerste poging om in de Hooglanden naar zijn werk te fietsen. „De heuvels zijn bijna negentig graden en niemand verwacht je daar.” Na wat rondlezen op internet over het aantal fatale ongelukken met fietsers in ruraal Schotland, bleef het bij die enige poging.

Eén keer per jaar fietsten we gedurende één week naar school met de kinderen, als het nationale Naar School Fiets Week was, die alleen door kon gaan als er genoeg ouders waren die met gele hesjes aan en helmen op met de groepjes kinderen meefietsten. De rest van het jaar ging iedereen dan weer met de schoolbus.

Het eerste wat we doen als we terug in Nederland zijn, is voor ieder gezinslid een fiets kopen. Ik heb een brok in mijn keel als ik mijn twee zoons uitzwaai als ze de eerste dag alleen naar school fietsen. Daar, jullie paspoort voor de vrijheid. Ik hoef jullie niet meer altijd te chaufferen naar school, feestjes, vriendjes, de tandarts, muziekles en sportclubs. Vanaf nu kunnen jullie zelf de wereld in.

Ik stapte vastberaden maar voorzichtig weer op. Natuurlijk kon ik dit, ik kon eerder fietsen dan zwemmen, ik moest mezelf gewoon de tijd gunnen om weer even te wennen. Even later zoefde ik weer onder de platanen door. De uitvinding van al die robuuste geel-blauwe fietsen waarvan iedereen, anders dan in China, weet wat hij ermee moet doen! Zittend in een tochtig bushokje in Glasgow had ik er visioenen van gehad.

Maar nu ben ik dus terug. „Kunnen jullie even zo blijven staan? Ik moet even mijn telefoon halen!”

„We moeten weg”, zegt mijn schoonvader.

„Heel even!”

Ik maak een foto van ze, mijn schoonouders van tachtig en tweeëntachtig jaar. Ze gaan naar een feestje, hij in pak met een gestreken pochet, zij op hakken met een jurk aan en een hoed op. Hun handen ontspannen aan het stuur, klaar om op te stappen.

Ik vind het geweldig, het fietsen in Nederland, ik vind het bijzonder, stoer, en een vaandel van zelfstandigheid. Ik heb het gemist.

Josephine Rombouts is de auteur van Cliffrock Castle, Werken op een kasteel in Schotland, een boek over haar belevenissen als huishoudster op een Schots kasteel. Ze is nu terug in Nederland. Josephine Rombouts is een schrijverspseudoniem.