De havo blijft al jaren achter

Voortgezet onderwijs De havo is nog altijd een zorgenkind. De instroom is divers, motivatie is vaak een probleem. „Je krijgt een soort afgezwakt vwo.”

Meer zittenblijvers, meer mensen die op een lager niveau belanden, slechtere examencijfers, meer ‘zeer zwakke’ afdelingen. „De havo blijft achter”, constateert de Onderwijsinspectie in De Staat van het Onderwijs. Wat is er aan de hand op de havo?

Daarover wordt al jaren gediscussieerd, zegt Monique Vogelzang, inspecteur-generaal van het onderwijs. „De heterogeniteit neemt toe”, zegt ze. „Minder leerlingen gaan naar het vmbo, wat leidt tot meer instroom op de havo. Dat maakt de groep diverser.”

En welke lesmethoden kies je dan? Als je de middengroep bedient, valt een grote groep buiten de boot. „En we weten van leerkrachten dat het überhaupt moeilijk is om les te geven aan een heel diverse groep”, zegt Vogelzang.

„De havo blijft een zorgenkind zolang we niet fundamenteel kijken waar we met dat onderwijs naartoe willen”, zegt René Kneyber, docent wiskunde en lid van de Onderwijsraad. „De havo bereidt net als het vmbo voor op het beroepsonderwijs, maar dat zit niet in het programma. Dus krijg je een soort afgezwakt vwo. Havisten, dat zijn géén vwo’ers – zo wordt ernaar gekeken.”

Motivatie is in de bovenbouw vaak een probleem. Voor hoge cijfers lopen lang niet alle leerlingen warm. „Er zijn experimenten waarbij havisten één dag per week praktijk krijgen”, zegt Kneyber. „Dat levert zo veel motivatie op dat de theorie ook beter gaat.”

Van de jongens op de havo haalt 35 procent binnen vijf jaar een diploma, bij de meisjes is dat de helft. Ruim 10 procent blijft zitten, op de vmbo-soorten en vwo is dat tussen de 4 en 8 procent.