Opinie

    • Ellen Deckwitz

Aanwezig

De afgelopen dagen is de lente flink aan het uitbotten geslagen: de vogeltjes fluiten zich een klaplong, mijn studenten zien scheel van de hormonen en de bomen bloesemen zich een ongeluk. Helaas kamp ik de laatste tijd met een donkerte waardoor al dat moois op me afketst.

Een echte aanleiding is er niet, net zoals je soms niet weet waarom je met het verkeerde been uit bed stapt. Opeens vertragen je gedachten en verstarren je spieren alsof je net een badkuip vol botox hebt leeggedronken. Je denkt oh jongens, bleeeh, niet weer. Dat je weer op de spaarstand moet, iedere ochtend opstaat met een hoofd vol lood, iedere avond met je laatste krachten een schietgebedje naar de god van de serotonine stuurt (zijn attribuut is overigens een enorm pluizige lapjeskat).

Net zoals bij rouw, heb je bij somberte het meest aan vasthoudendheid. Van uur naar uur leven en verder niet te veel piekeren. Toch sporten, al ben je ervan overtuigd dat je eenmaal te water meteen naar de bodem zal zinken. Toch eten, terwijl elke hap voelt als een aanslag op de ingewanden. Het zijn dagen waarin je jezelf in leven houdt voor een toekomstige versie van jezelf. En zo lijkt je leven even op een diensttijd met een onverbiddelijke aanwezigheidsplicht.

Dat alles zou nog te verteren zijn als er niet de goedbedoelde adviezen waren van degenen die geen idee hebben van wat je nou eigenlijk doormaakt. Onlangs zei een lieve vriendin, in een poging me op te beuren, dat wat ons niet vernietigt ons sterker maakt. Ik knikte omdat ik niet meer de puf had ertegenin te gaan, maar vanbinnen maakte het me boos genoeg om een knotwilg omver te beuken. Wat ons niet vernietigt, kan ons aardige lessen opleveren en handvatten voor de uren die ons nog resten, maar het kan ook erg veel verpesten, vooral een zekere onbevangenheid naar de toekomst toe. Er heerst in onze cultuur nog steeds het romantische idee dat tegenslag altijd iets oplevert, dat lijden loutert. Maar wie vaker het donker tussen de oren heeft, weet dat dat niet per se waar is.

Natuurlijk ben je achteraf blij dat je beter bent, maar de opluchting is echt niet zo groot dat alles opeens geweldig is. De opvatting dat door depressie er een soort contrastwerking ontstaat waardoor de mooie momenten extra mooi worden, is een misvatting.

Maar voor die uitleg heb je de energie niet. En zo vink je de uren af, terwijl de natuur fonkelt en je levenslust de omvang heeft van een quark. Houd je vol voor die latere versie van jezelf, en hoop je tegen beter weten in dat er toch iets zal bestaan, wat je niet zozeer sterker maakt, als wel harder.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.