Zebravis steeds vaker ingezet bij onderzoek naar kanker

De doorzichtige embryo’s van de vis groeien in een paar dagen tijd uit tot visjes, wat ze geschikt maakt voor dierproeven rond genetica en genetische manipulatie.

Foto Getty Images

Zebravissen worden steeds vaker ingezet bij onderzoek naar kanker en hormoonverstorende stoffen. Dat blijkt uit een jaarlijks rapport van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) omtrent dierproeven. In 2015 werden nog 4.909 zebravissen gebruikt in medische experimenten, een jaar later waren dat er 15.804 en in 2017 was dit aantal gestegen naar 52.024.

Genetisch gemanipuleerd

Zebravissen worden veelal gebruikt in dierproeven rond genetica en genetische manipulatie, omdat de embryo’s binnen een paar dagen uitgroeien tot visjes. De eitjes zijn bovendien doorzichtig, waardoor het ontwikkelingsproces van het embryo door onderzoekers goed is te volgen. Met lage kosten en in korte tijd kunnen op die manier nieuwe genetisch gemanipuleerde zebravissen gecreëerd worden. Genetisch gemodificeerde dieren zijn dieren waarvan het genoom door een DNA-techniek is gewijzigd.

Muizen worden nog altijd het vaakst ingezet bij dierproeven, met name in de intensivering van onderzoek naar kanker, blijkt uit het rapport. Het totaal aantal geregistreerde dierproeven steeg in 2017 met bijna achttien procent ten opzichte van een jaar eerder. In 2017 werden 530.568 dierproeven geregistreerd, in 2016 waren dat er ruim 80.000 minder, wat toen een flinke afname betekende ten opzichte van 2015.

Honden, katten en apen

Het aantal honden en katten dat wordt ingezet bij dierproeven nam in 2017 toe. In 2016 waren 656 honden en 89 katten onderdeel van een medisch experiment, in 2017 werden 909 honden en 200 katten gebruikt. De stijging van het aantal honden en katten dat wordt ingezet bij dierproeven is volgens de NVWA terug te voeren op “de ontwikkeling en kwaliteitsborging van vaccins voor deze diersoorten”.

Ook zijn er in 2017 meer experimenten met apen uitgevoerd, van 120 in 2016 naar 317 in 2017. Dat komt doordat het grootste gedeelte van de proeven met apen is gestart in 2016 en juist afgerond in 2017. “Volgens de systematiek van de registratie van dierproeven wordt een dierproef pas geteld op het moment dat deze is beëindigd”, staat in het rapport.

Eind 2017 waren tachtig instellingen in het bezit van een vergunning voor dierproeven. De NVWA verleende namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in 2017 aan zeven instanties een nieuwe vergunning voor dierproeven. Van acht instellingen werd de vergunning juist ingetrokken.