Elke school heeft nu zijn eigen concept

Innovatie Scholen lokken ouders en leerlingen met vernieuwing. Dat kan duurder zijn – en de werking van methodes staat niet altijd vast.

Foto: Richard Brocken/Hollandse Hoogte

Vrijwel nergens doen scholen zoveel aan vernieuwing als in Nederland. Dat constateert de Inspectie van het Onderwijs in het jaarlijkse rapport De Staat van het Onderwijs. Op hun websites maken scholen reclame voor nieuwe methoden: ‘Het kind staat centraal’, ‘vaardigheden als creativiteit, probleemoplossend vermogen, ondernemerschap, kritisch denken’, ‘veel aandacht aan bewegend leren’.

Scholen volgen de marketingwet dat je je van anderen moet onderscheiden. „Het is beter dat ouders een keuze hebben, dan dat het allemaal eenheidsworst wordt”, zegt Ronald Dulmers, sinds de jaren tachtig directeur en oprichter van Scholen met Succes, een marketingbedrijf voor scholen. „Voor de markt is het handiger om je te profileren met een duidelijk concept.”

Volgens De Staat van het Onderwijs groeit vooral het aantal concepten en profielen de laatste jaren hard. Nu de meeste zuilen zijn verkruimeld, neemt het onderwijsconcept de plaats in van de levensbeschouwing. Scholen moeten onderling concurreren om genoeg leerlingen aan te trekken voor de financiering.

Het voordeel is de variëteit in het aanbod. Nadeel is volgens de inspectie dat scholen te weinig nagaan of de nieuw ingevoerde methode ook echt werkt. „Het zijn juist de hoogopgeleide ouders die massaal voor vernieuwing vallen. Die kunnen hun kinderen helpen of bijles betalen als het misgaat. Voor een zwakke leerling kan het slecht uitpakken”, zegt Erik Meester, docent aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.

Meer motivatie

Op de pabo is veel animo voor vernieuwing. In de koffieruimte bij het congres van De Staat van het Onderwijs in Maarssen staan Stefan de Groot (17), Annelotte Willemsen (17) en Jordi van Emmerik (17), studenten aan het Teachers College van de hogeschool Windesheim. Die pabovariant richt zich geheel op vernieuwend onderwijs. „We leren leerlingen uit te leggen waarom ze iets leren”, zegt Annelotte. Stefan: „Hoe meer gepersonaliseerd, hoe gemotiveerder een leerling is.”

Zelf zaten ze op een ‘gewone’ middelbare school. „Als ik vernieuwend les had gekregen, was ik gemotiveerder geweest”, denkt Stefan. „Dat zie ik sinds ik deze opleiding doe.” Annelotte: „Het technasium had me leuk geleken.”

De Friese christelijke basisscholenstichting CBO Meilân, waar Anneke Bras en Berber van der Wal werken, is ook goed bezig met vernieuwen, zeggen ze. Ze zitten bij het congres aan een tafeltje. Bras werkt als intern begeleider in Heerenveen en Van der Wal als leerkracht in groep 3 van De Tarrissing in Oudehaske. Ze sommen op: het ‘steampoint’, gericht op techniek, ‘ingenium’ voor extra begaafde leerlingen, ‘novium’ voor 10 tot 14-jarigen, ‘technium’ voor praktisch ingestelde kinderen, ‘cantium’ voor kinderen die muziek willen maken en ‘movium’ voor kinderen die willen bewegen. Al die profielen zijn van de laatste jaren of worden nu opgezet.

Dit soort projecten verbreden het onderwijs, zeggen ze. „Een kind is meer dan een Cito-toets”, zegt Bras. Van der Wal: „Je kunt ook een goed volwassen mens worden als je niet kunt leren, maar wel kunt lassen. Toen ik over ‘technium’ hoorde, zag ik meteen voor me welke kinderen hier echt gelukkig van worden.”

Middelbare scholen die het niet zo goed doen, gebruiken een concept om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren, zegt Stephan Meershoek, manager bij Nuffic, een organisatie voor internationalisering van het onderwijs. De afgelopen zes jaar groeide het aantal leerlingen dat tweetalig onderwijs volgt met 10.000 tot 36.500 op 130 scholen. Tweetalig onderwijs is ook een manier om leerlingen te trekken, vooral in krimpgebieden.

Hogere kosten

Een probleem zijn de hogere kosten van profiel- en conceptscholen. Tweetalig onderwijs kost bijvoorbeeld gemiddeld 400 euro per leerling per jaar extra, volgens de inspectie, bovenop de reguliere schoolkosten. Het profiel ‘wetenschapsoriëntatie’ kost 6.000 euro. Dat geld gaat op aan extra lessen, materialen, reizen naar het buitenland – en iemand moet het betalen, meestal de ouders. Doen ze dat niet, dan sluit een derde van de scholen met tweetalig onderwijs de leerling uit, bleek onlangs. „Onacceptabel”, vindt minister Arie Slob (Onderwijs, ChristenUnie).

Voor veel nieuwe onderwijsmethoden is geen bewijs voor de werking. Een pilot van een nieuw concept is nog geen doorbraak. „Vernieuwingsscholen krijgen vaak veel extra financiering van het schoolbestuur of van het ministerie. Er worden goede mensen aangetrokken”, zegt Meester. „De eerste resultaten van Agora, waar kinderen zelf mogen uitmaken wat ze leren, zijn vooralsnog niet spectaculair. Maar een jaar later krijg je veel andere scholen die werken met dit concept maar al die extra’s moeten missen. Ik houd dan mijn hart vast voor het volgende fiasco.”

Meester deed vroeger veel advieswerk voor het onderwijs en wist ouders juist vaak warm te maken met ‘expliciete instructie’ en ‘begeleid inoefenen’, niet zo revolutionair, maar leerlingen doen er wel de nodige kennis en vaardigheden mee op.

Meester heeft veel modes zien passeren: de iPads, de indeling in zonnetjes-, maantjes- en sterretjeskinderen die de onderlinge verschillen juist vergrootte, maatwerk voor de leraar als coach, de onbewezen verschillende leerstijlen, de „niet bestaande” 21ste-eeuwse vaardigheden.

„Ik mis dat je niet weet welke aanpak bewezen is”, zegt Marie-Lou Elderenbosch, leerkracht van groep 5 op basisschool De Venen in Reeuwijk. „Je ziet veel proeftuintjes en dat is helemaal prima, maar dan moet je wel vooraf doelen stellen en achteraf evalueren.” Aan de andere kant: als je niets probeert, weet je ook nooit wat beter is. „En het blijft maatwerk. Er is in de klas nooit één manier.”