‘Zelfportret zwakzinnigennazorg’, 1978

Collectie De Stadshof/ Museum Dr. Guislain, Gent.

De briljante chaos in het hoofd van Willem van Genk

Outsiderkunst Schrijver Dick Walda publiceerde een nieuwe, sterk uitgebreide editie van zijn boek over de schizofrene kunstenaar Willem van Genk. „Zijn genialiteit fascineerde me.”

Hij fêteerde hem in deftige restaurants. Reed hem als een minister rond. En stond hem bij als hij weer eens gedwongen in een psychiatrische inrichting opgenomen was.

Naar eigen zeggen deed Dick Walda er alles aan om kunstenaar Willem van Genk (1927-2005) uit zijn verschoppelingsrol te halen. Eerst ontfermde hij zich als een wijze broer over zijn twintig jaar oudere kameraad, later meer als vader en verzorger. Maar hoe bejegende de autistische en schizofrene kunstenaar zijn beste vriend? „In wezen ben ik bang voor jou omdat je een Gestapo-man bent”, beet Van Genk hem toe.

De mensenschuwe kunstenaar voelde zich voortdurend belaagd door ‘gajes’. Gespuis dat hem wilde bestelen, hem afluisterde, hem boven zee uit een vliegtuig wilde werpen, of naar een werkkamp zonder telefoon wilde sturen. Niemand, ook zijn vriend ‘Diederik’ niet, was te vertrouwen; iedereen kon een mes in zijn mouw verborgen houden.

Walda publiceerde afgelopen vrijdag een sterk uitgebreide tweede editie van het boek dat hij in 1997 over Van Genk schreef: Koning der stations. Een hilarisch en tegelijk hartverscheurend boek waarin Walda de versplinterde belevingswereld van zijn vriend toegankelijk maakt. Een onmisbare sleutel voor een goed begrip van Van Genks complexe en bomvolle schilderingen van steden en stations.

De herdruk heeft Walda goed getimed. In september opent in het Outsider Art Museum in de Hermitage in Amsterdam een overzichtstentoonstelling van Van Genk. Een expositie die door zal reizen, onder meer naar de Hermitage in Sint-Petersburg. In Rusland komt Van Genk onder hetzelfde dak te hangen als Rembrandt, Rubens en Picasso. Walda lacht erom. Hij moet denken hoe Van Genk jarenlang voor een habbekrats Lola-afwasborstels fabriceerde bij de Haagse werkplaats Arbeid Voor Onvolwaardigen. „Willem had geen cent te makken. Als hij dan ’s avonds bij zijn zuster thuis ging tekenen, moest hij een uur lopen. Tramkaartjes kon hij zich niet permitteren.”

Waarom is de nieuwe editie van ‘Koning der stations’ zoveel dikker?

Dick Walda: „Willem was het tiende kind van een chocolatier uit Voorburg. Hij had negen oudere zusters die hem bemoederden. Vooral Tine, de oudste, en Jacqueline zorgden goed voor Willem. Ze maakten zijn huis schoon en gaven hem te eten. Maar Willem had een ingewikkelde verhouding met zijn zusters: dat ze zo rooms waren ergerde hem. ‘Het Vaticaan is fascisme’, zei hij altijd.

Willem van Genk: ‘Project Asberry II’, ca. 1970Beeld Collectie De Stadshof/ Museum Dr. Guislain, Gent.

„Door Willems gedram over hun geloof heb ik over de liefdevolle rol van Tine en Jacqueline destijds te weinig geschreven. En omdat zij toen nog leefden, was ik terughoudend over Willems seksuele capriolen. Nieuw is bijvoorbeeld het verhaal over Zwarte Lola, de eerste donkere prostituee van Amsterdam. Toen Willem van haar hoorde, wilde hij haar direct bezoeken – hij associeerde haar met de Lola-borstels die hij jarenlang in elkaar had gezet.”

Van Genk was haarfetisjist: van kapsalons vol vrouwen met schuimend lang haar raakte hij seksueel opgewonden. Een fascinatie die vaak op het politiebureau eindigde. Op advies van zijn psychiater bezocht en ontving hij thuis prostituees. Een verstandig advies?

„Een ramp voor zijn katholieke familie. Maar als zijn zusters over zijn prostitutiebezoek begonnen, maakte Willem snel een eind aan de discussie: ‘Het moet van de dokter.’ Maar toen de politie zijn kleermakersschaar in beslag had genomen waarmee hij in de tram vlechten van meisjes wilde afknippen, ben ik niet ingegaan op zijn verzoek voor een nieuwe schaar.

‘Waarom doet die man aardig tegen me en betaalt hij mijn consumpties?’

„Willem had ook een obsessie met lange canvas en kunststof jassen. Met een hamer en aambeeld sloeg hij ze vol metalen drukknopen. Met zo’n ‘imponeerjas’ om zijn schouders voelde hij zich machtig. Maar op straat werd hij om die malle jassen natuurlijk uitgelachen.

„Toen ik eens met hem naar Zwolle reed voor de opening van een tentoonstelling van zijn werk, was Willem niet geïnteresseerd in het museumbezoek. Waarom zou hij naar zijn eigen werk gaan kijken? Hij wilde maar één ding: naar Zeeman, een nieuwe jas kopen.”

Hoe heeft u die ingewikkelde monologen van Van Genk opgetekend?

„Met zijn instemming maakte ik bandopnamen. Willem sprak sneller dan Matthijs van Nieuwkerk en hij vertelde meestal vijf verhalen door elkaar. Op het eerste gehoor volstrekte chaos. Je moest enorm bij de les zijn om er iets van te begrijpen. Maar op den duur kon ik lezen en schrijven met Willem. Al bleef hij wantrouwig: ‘Waarom doet die man aardig tegen me en betaalt hij mijn consumpties?”

Ongedateerde bandfragment van gesprek met Van Genk.

Waarom deed u zo aardig?

„Ik leerde hem kennen toen ik in 1981 een lezing over Siberië hield. De studenten voor wie ik sprak, treiterden hem om zijn rare jas. Maar het was Van Genk die de interessantste vragen stelde. Na afloop trakteerde ik hem op een kop koffie. Een drukke, maar fascinerende man. Dat hij een uniek talent als kunstenaar had, begreep ik pas later. Maar het was vooral die briljante chaos in zijn hoofd die me interesseerde. Een man die het verschil tussen links en rechts niet kende, niet kon klokkijken, maar wel over een encyclopedische geheugen beschikte en bijvoorbeeld enorm veel wist over muziek. Die puzzel wilde ik ontcijferen.”

U heeft hem bijna 25 jaar op vele manieren geholpen. Bent u zo’n goeierd?

„Nee, zeker niet. Ik hem me nooit een moment met Willem verveeld. Ik kon ook niet boos op hem worden. Als zijn hond mijn nieuwe auto onderscheet, had het geen zin om daar een punt van te maken. Dat maakte nul indruk bij Willem.

„Zijn negen oudere zusters hebben hem verwend. Als kind at hij geen brood maar cake. Bij mij wist hij de juiste snaar te raken: daar komt Dick, die gaat de problemen oplossen.

„Of de vriendschap wederkerig was? Vaak was het eenrichtingsverkeer. Met briljante drampolitiek bespeelde hij me. Hij stuurde me ook prachtige brieven. Maar meestal als hij iets van me nodig had. Maar noem me geen goeierd. Willems genialiteit fascineerde me.”

Brief van Van Genk aan Dick Walda, mei 1968 verstuurd uit Gotenburg. Beeld Dick Walda

In een interview met Bibeb in Vrij Nederland zei Van Genk: ‘Ik ben een stuk grijs pakpapier.’ Ook uit uw boek rijst het beeld op van een eenzame, diep ongelukkige man. Kon u hem troost bieden?

„Ik denk het. De keren dat hij gedwongen in inrichtingen was opgenomen, was onze relatie gek genoeg het beste. Naar mijn bezoeken zag hij uit, die maakten hem duidelijk rustiger. Troost was hij duidelijk niet gewend. Ik herinner me nog dat ik Willem eens aantrof bij de luisterkring klassieke muziek in de inrichting. Samen met andere patiënten luisterde hij naar Mahler. Zijn gezicht was nat van de tranen. Toen hij me zag schaamde hij zich: ‘Je denkt toch niet dat ik zit te janken, hè?’”

Denkt u nog vaak aan hem?

„Regelmatig. Vaak voel ik me dan een beetje schuldig. Dat ik destijds niet voldoende waardeerde wat Tine en Jacqueline voor hun broer deden. En ik denk soms terug aan zijn verschrikkelijke gedwongen opnames. Bij de betrokken instanties had ik wel wat doortastender en brutaler mogen zijn.

„Ook spijt het me dat ik niet in staat was zijn eenzaamheid op te heffen. Ondanks de vele gezamenlijke uitstapjes lukte het me niet om helemaal tot hem door te dringen. En toen Willem me het meest nodig had, moest ik ook mijn doodzieke echtgenote voortdurend van hot naar her brengen. Zij verweet me vaak dat ik weer voor Willem naar Den Haag reed. Toen voelde ik me schuldig ten opzichte van beiden.”

Dick Walda: Koning der stations. Bizarre episoden uit het leven van Willem van Genk. De Schalm, 232 blz., €35,50.