‘Uncle Syd’ sprong van DNA naar embryo’s en terug

Sydney Brenner (1927-2019), moleculair bioloog. Nobelprijswinnaar Sydney Brenner legde met de keuze voor een klein wormpje de basis voor het humaan genoomonderzoek.

Sydney Brenner in Singapore, 2003.
Sydney Brenner in Singapore, 2003. Foto Wong Maye-E / AP

Hij hielp bij het ontcijferen van de genetische code en kreeg in 2002 de Nobelprijs voor Geneeskunde. Sydney Brenner, op 5 april op 92-jarige leeftijd overleden in zijn woonplaats Singapore, was een van de pioniers van de moleculaire biologie. „Uitzonderlijk slim en gevat, en tot op het laatst actief”, schrijft microbioloog en oud-minister Ronald Plasterk op twitter.

Brenner werd op 13 januari 1927 geboren in Germiston, Zuid-Afrika. Hij studeerde biologie aan de Universiteit van de Witwatersrand en promoveerde aan Exeter College in Oxford. In 1953 kreeg hij als een van de eersten het model van de DNA-structuur te zien, gemaakt door James Watson en Francis Crick. Met Crick werkte hij later in Cambridge, bij het Cavendish Laboratory en het Laboratory of Molecular Biology (LMB). Daar brak hij in 1961 door met de ontdekking van de genetische ‘tripletcode’: drie letters waarmee DNA een twintigtal aminozuren kan coderen, om daar eiwitten mee te bouwen. Ook ontdekte hij met zijn collega’s het bestaan van messenger-RNA, dat de DNA-code kopieert en vertaalt tot eiwit.

Halverwege de jaren zestig waren de grote genetische vragen zo ver opgelost dat ‘Uncle Syd’ zich besloot te wijden aan een complexer vraagstuk: hoe ontwikkelen menselijke embryo’s zich tot volwassenen? Als modelorganisme koos hij de rondworm C. elegans, die wijdverspreid in de bodem voorkomt. Plasterk, aan de telefoon: „Hij isoleerde de eerste genen, en legde daarmee de basis voor het genome sequencing-project, waarmee álle genen van C. elegans in kaart zijn gebracht. En dat was weer een inspiratiebron voor het Human Genome Project, waarin tussen 1990 en 2003 alle menselijke genen zijn geïdentificeerd.” Brenner werkte daar niet aan mee. Een citaat uit de biografie van Brenner (48 jaar lang getrouwd met May Covitz, tot aan haar dood in 2010) lijkt wat dat betreft veelzeggend: „Theorieën moet je behandelen als minnaressen. Word nooit verliefd op ze, en neem afstand van ze als het plezier dat ze verschaffen voorbij is.”

Zijn grootse fout

Van 1979 tot 1986 was Brenner directeur van het Laboratory of Molecular Biology in Cambridge. Zelf noemde hij dat in zijn biografie de grootste fout van zijn leven. Plasterk, die in die tijd als post-doc aan het LMB werkte en hem zodoende leerde kennen: „Hij had een snelle geest, aan het geniale grenzend. Maar die directeurspositie lag hem niet zo goed. Hij was niet altijd even geduldig met mensen die minder intelligent waren dan hij.”

Plasterk herinnert zich een voorval met de Xerox-kopieerapparaten op het lab. „De kopieerkosten liepen te hoog op. ‘Er moet ook minder gexeroxt en meer geneuroxt worden’, zei Brenner toen. Wat neuroxen was, vroeg een van de studenten. ‘Lezen’, antwoordde Brenner. ‘Doodgewoon lezen.’ Hij stoorde zich eraan dat niemand dat nog leek te doen.”

Brenner verstond de kunst complexe problemen in eenvoudige taal te vertalen, zegt Plasterk. „Zo was er bijvoorbeeld de vraag hoe een lichaamscel besluit tot wat voor celtype hij zich ontwikkelt – een spiercel, een zenuwcel, noem maar op. Brenner schetste twee mogelijke oplossingen, met een knipoog naar de internationale politiek. Het Europese model: ‘blijf op je plek en doe wat je ouders deden’. En het Amerikaanse: ‘ga ergens anders heen en doe wat de buren doen’.”

Na zijn tijd bij het LMB keerde Brenner gretig terug naar het onderzoek. In 2002 kreeg hij samen met H. Robert Horvitz en John Sulston de Nobelprijs voor hun ontdekking van genen die een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van organen en in geprogrammeerde celdood – een proces waarbij beschadigde cellen hun eigen afsterving in gang zetten.

Lees ook dit artikeltje uit 2002: Nobelprijs voor onderzoek naar celdood