Opinie

Engels is de wetenschapstaal, Nederlands is de vertaling

Onderwijsblog De universiteit en samenleving moeten zich tegelijk op Engels en Nederlands richten, schrijven Bram Ieven en Frans-Willem Korsten.

Station Schiphol Airport.
Station Schiphol Airport. Foto Rein van Zanen/ANP

Eind maart publiceerde een indrukwekkend gezelschap geleerden, schrijvers en cultuurmakers een brief aan de Kamer met een pleidooi voor bescherming van het Nederlands als wetenschapstaal. Men wil de positie van het Nederlands in het wetenschappelijk onderwijs bij wet verankerd zien. Alleen zo zou het groeiend aanbod aan Engelstalig onderwijs een halt toe kunnen worden geroepen.

Een pleidooi voor wettelijke bescherming van het Nederlands aan de universiteiten om de groei van Engelstalige programma’s te stuiten geeft te denken. De roep om het Nederlands wordt niet onderbouwd. Het ontbreekt aan een ambitieuze, goed doordachte taalpolitiek. Weliswaar wordt ‘de politiek’ aangesproken, maar politieke partijen hebben uiteenlopende motieven om Nederland en de Nederlandse taal te promoten. De impliciete financiële motivatie om onderwijs in het Engels aan te bieden wordt in de brief wel aangestipt, maar nauwelijks bekritiseerd. En de rol waarin men de universiteit plaatst is, tot onze verbazing, nationaal. Drie keer mis.

Door overvloedig onderwijs in het Engels dreigen de universiteiten met de rug naar de samenleving toe te komen staan, zo stellen de schrijvers. Daarmee suggereren ze dat ze een helder en eenduidig beeld hebben van de Nederlandse samenleving. Wij vragen ons af of dat zo is. Wat is de rol van het Nederlands eigenlijk in de huidige samenleving? Is ze inderdaad de enige, leidende taal? Eindigt onze samenleving werkelijk bij de grenzen van onze natiestaat? Allicht niet. We leven in een hypergeglobaliseerde, meertalige samenleving waarin het Nederlands naast andere talen opereert. Een taalpolitiek die enkel van het Nederlands uitgaat schiet tekort en is dan ook gedoemd om te falen.

Wetenschapstaal versus onderwijstaal

Om dat te verduidelijken zijn twee dingen van belang. We moeten een helder onderscheid maken tussen onderwijstaal en wetenschapstaal en de waarde van beide inschatten. Vervolgens moeten we een ambitieuze taalpolitiek uitwerken die gericht is op emancipatie en die lessen durft te trekken uit de geschiedenis.

Eerst even over Nederlands als wetenschapstaal. Wettelijke bescherming van het Nederlands als wetenschapstaal is slechts van belang voor een klein clubje wetenschappen, zoals bijvoorbeeld de studie Nederlands of een deel van de geschiedwetenschap. Voor het overgrote deel van de wetenschappen is het Nederlands niet van wezenlijk belang. Dat wil niet zeggen dat die wetenschappen niet in het Nederlands moeten worden onderwezen, maar dat is letterlijk en figuurlijk een vertaalkwestie.

Laten we dit toepassen op de alledaagse realiteit van onze gezondheidszorg: iemand die last heeft van enigerlei vorm van kanker wil misschien in helder Nederlands worden toegesproken (communicatie van kennis), maar is wel het meest gebaat bij een arts die op de hoogte is van de laatste stand van zaken in de wetenschap (en dat gebeurt in het Engels). Dat onze gezondheidszorg tot de allerbeste ter wereld behoort, heeft dus ook deels met dubbele taalpolitiek te maken, gericht op Engels en Nederlands.

Engels is onontbeerlijk voor wie internationaal politieke impact wil hebben. Dat moeten we studenten meegeven. Dat het niveau van het Engels niet altijd even hoog is, hoeft geen probleem te zijn. Het Latijn van de middeleeuwse politieke denkers was ook niet altijd goed. Maar omdat de gebruikers met die taal het lokale niveau ontstegen, konden ze grote impact hebben op de internationale politiek. Een voorbeeld is de Defensor Pacis (1324). Daarin hield Marsilius van Padua een vurig pleidooi voor de scheiding tussen kerk en staat ten tijde van het politieke conflict tussen paus Johannes XXII en Ludwig IV. Het zou uitgroeien tot één van de grondprincipes van de moderne tijd.

Het was gesteld in belabberd Latijn, dat wel.

‘Global cities’

Onze eigen politieke taalsituatie verschilt heus niet zo van die van de middeleeuwen. Wie de rol en kennisproductie van de Nederlandse universiteiten ziet in een nationaal kader, met mensen die blijkbaar enkel eloquent Nederlands spreken (quod non) heeft simpelweg niet begrepen wat hyperglobalisering betekent. Zelfs de meest lokale universiteit is een kennisinstituut aangesloten op een mondiale wetenschappelijke infrastructuur en neemt deel aan een kennisproductie die internationaal is en internationale impact heeft. Wat sociologen als Saskia Sassen ‘global cities’ noemen, zijn geen steden zonder eigen identiteit, maar steden waarin bijna alle inwoners op een of andere manier verbonden zijn met mondiale dynamieken.

In dit kader is de Nederlandse samenleving radicaal veranderd. Nederland is een urbaan netwerk, met spaken naar alle kanten, en zelfs de regio’s in Nederland zijn ‘global regions’ die op bijna onverbiddelijke en onomkeerbare wijze zijn aangesloten op een mondiaal economisch, technologisch en sociaal netwerk. Laten we wel wezen: de megastallen van Brabant lijken dan misschien een lokale aangelegenheid, een duister provinciaal erfgoed, maar in werkelijkheid handelen ze met behulp van de nieuwste technologieën in een Europese en mondiale markt, niet zozeer een Nederlandse – want dan gingen ze failliet.

In dat urbane, hypergeglobaliseerde netwerk dat Nederland is geworden heeft Nederlands een andere functie gekregen. Het is niet langer de disciplinerende taal van de negentiende eeuw. Het is de taal die men hier spreekt, als de voornaamste taal tussen andere talen. Dit gegeven bedreigt het Nederlands niet, want Nederlands blijft voor velen de moedertaal. Voor velen geldt dat overigens ook niet. Die hebben een andere moedertaal en hebben het Nederlands nodig om zich in Nederland te kunnen ontplooien.

Juist daarom hebben we een taalpolitiek nodig: een politiek die ervoor zorgt dat iedereen het Nederlands kan leren om zich sociaal en politiek weerbaar te weten en te voelen: taalvaardigheid als een vorm van emancipatie. Maar dat is iets totaal anders dan de wettelijke verankering van Nederlands als wetenschapstaal. We hebben een taalpolitiek nodig die alle gremia van de samenleving bedient en bevrijdt.

Niet om geld te vangen

Wil dat dan zeggen dat we het Engels kritiekloos moeten omarmen? Toch niet. Zeker niet zelfs. Want dan riskeren we mee te gaan in het kamp dat op dit moment het Engels als middel gebruikt om de universiteit niet zozeer productief te verbinden met een internationaal debat maar met een internationale markt. Een markt die, laten we het maar gewoon zeggen, volkomen neoliberaal is.

Het Engels mag als voertaal voor internationale academische debatten onontbeerlijk zijn, de invoering van Engels als voertaal in het onderwijs wordt momenteel vooral ingegeven door een financiële prikkel. Het gaat om het aantrekken van buitenlandse studenten die de universiteit relatief veel geld opleveren. Die financiële prikkel leidt tot perverse situaties. Want samen met dat Engels komt heus niet als vanzelf burgerzin, politieke bewustwording of zelfs begrip van een geglobaliseerde wereld mee – dat is vaak zelfs helemaal niet het geval. Een opleiding als de BA Psychologie in Engels aanbieden is vooral aantrekkelijk omdat je dan nog meer studenten kan werven uit het buitenland, en daarmee veel geld vangt. Voor de kwaliteit van onze psychologen maakt het vrijwel niets uit.

We schreven het al: de zaken liggen complexer dan een simpele taalwet. Een goed doordachte taalpolitiek zal altijd dubbel moeten zijn: zowel Nederlands als Engels, maar altijd met emancipatie als oogmerk.

Dat is geen nieuw inzicht. Want wie de geschiedenis een beetje kent, weet dat er sinds de (vroeg)moderne tijd al zo’n dubbele taalpolitiek werd gevoerd. Het Latijn was emancipatorisch, want internationaal. En de volkstaal was emancipatorisch, want toegankelijk voor iedereen, niet alleen voor een internationale elite.

Het gebruik van de landstaal als emancipatorisch instrument, is een traditie die vanaf Descartes’ Discours de la méthode (1637) wordt ingezet. We zouden het citaat hier graag in het Frans geven, maar ja, wie van de lezers zou het nog kunnen volgen? We geven het, om het in den brede te delen, in een geautoriseerde Engelse vertaling (pun intended):

And if I write in French, which is the language of my country, rather than Latin, which is that of my teachers, it is because I hope that those who use only their pure natural reason will better judge my opinions than those who believe only in old books, and because I am sure that those who combine good sense with scholarship, whom I alone wish to have as my judges, will not be so partial to Latin as to refuse to hear my reasons because I express them in a vulgar tone.

De keuze van Descartes om te schrijven in de eigen landstaal werd ingegeven door een weerzin tegen zijn leermeesters, en tegen de elitaire taal die ze spraken. Bovenal werd ze ingegeven door een geloof in het vermogen van de rede en de mens. Dat staat als een van de centrale, emancipatorische uitgangspunten in de moderne tijd; en dat uitgangspunt moet ook centraal staan in een relevante taalpolitiek.

In de loop van de negentiende eeuw werd een taalpolitiek gevoerd die taal als verbindende identiteit van een gemeenschap ging beschouwen, ja zelfs van een natiestaat. Dat was een taalpolitiek vanuit een bestuurlijke elite, die desalniettemin mensen ook uit hun regio bevrijdde. Maar veelbetekenend is de eis van koning Willem I in Nederland, die van zijn onderdanen en dier bestuurders eiste dat ze het Nederlands machtig zouden zijn als de bestuurstaal van het land – een eis die ook eens te meer van belang was in een mondiaal koloniaal verband en bestuur. Deze uiteindelijk elitaire taalpolitiek was een ergernis voor de al even elitaire maar overwegend Franstalige bestuurders uit het zuiden van de Nederlanden. Het zou in 1830 een van de aanleidingen zijn om zich af te scheuren, onder de nieuwe naam België, en onafhankelijkheid uit te roepen.

Maar recht tegenover de elitaire tendens in België, die aanvankelijk niet eens zozeer met Wallonië dan wel met de hogere Franssprekende klassen in België te maken had, ontstond toen opeens een Vlaamse taalpolitiek die pleitte voor de erkenning van het Nederlands als algemene (en dus ook universitaire) taal. De eis om een Nederlandse universiteit te krijgen was in dat kader niet enkel Vlaams-nationalistisch maar ook emancipatorisch: alleen een Nederlandstalige universiteit kon garanderen dat de lagere klassen konden doorgroeien naar de universiteit. Vandaar ook opstanden in 1968 in Leuven toen ‘Leuven Vlaams’ de slogan was, zonder meer een emancipatorisch moment. Door hoger onderwijs in het Nederlands te geven werd het ontsloten voor een grote groep vaak armere studenten, die een goed gebruik van hun rede wilden maken.

Taalpolitiek: emancipatorisch of elitair?

Kortom, er loopt een dubbele taalpolitiek door de moderne tijd. Er is een tendens richting een volkstaal enerzijds (zowel een emancipatorische als antiautoritaire tendens) en een elitaire tendens die kan bestaan uit een gemeenschappelijke tweede taal of uit het opleggen van een ‘eigen’ bestuurstaal die niet overal in het land wordt gesproken. Parallel hieraan zijn er twee andere tendensen: een nationalistische en een internationale. In beide zit opnieuw zowel een emancipatorisch als een elitair element. Die elementen kunnen op bepalende momenten in de geschiedenis samenvallen. Engels kan emancipatorisch zijn, als we het goed inrichten en niet door marktdenken laten kapen, maar ook elitair en volkomen uitgehold. Hetzelfde geldt voor het Nederlands.

De vraag die we ons vandaag moeten stellen is: welke taal is op dit moment het meest emancipatorisch en welke is het meest elitair? Is het Engels of juist het Nederlands een katalysator voor het bouwen van een universiteit die meer of minder in de samenleving staat, met onderzoekers die bezig zijn met het verbeteren van hun wereld of met het verder vervuilen daarvan? Welke taal helpt ons het beste om de aanzienlijke problemen van onze tijd te adresseren, met inbegrip van al het intellect dat we hebben?

We hebben een bewuste taalpolitiek nodig, zowel voor Engels en voor Nederlands. Beide talen dienen burgers en hun emancipatie verder te helpen, daarom gebruiken we ze, daartoe onderwijzen we ze, in dat kader zijn ze enigerlei standaard.

Wie in de huidige omstandigheden de standaard van een nationale taal wettelijk wil verankeren, wensen we veel sterkte. Voor ons staat een dergelijke politieke keuze symbool voor meer dan alleen de bescherming van Nederlandstalig onderwijs. In de Nederlandse context staan PVV en FvD voor een nationalistisch Nederland waarin Nederlands de natiestaat kan bestendigen maar de internationale dynamiek belemmert. Beide partijen willen de wetenschap beregelen of censureren conform hun wensen. Wetenschappelijk gezien is dat een doodlopende en al doodgelopen weg.

Er moet een heldere keuze worden gemaakt tussen de internationale markt en een nationale agenda binnen een internationale dynamiek. Omarming van de internationale markt heeft geen taalpolitiek nodig. Alles is betaalbaar binnen de gestelde normen want die normen zijn flexibel. De combinatie van een nationale, emancipatoire agenda binnen een mondiale dynamiek heeft wel taalpolitiek nodig. Wie maatschappijbreed, dus niet alleen binnen de universiteit, mensen wil helpen door hun collectieve taalvermogen te versterken, dient zich politiek te profileren en de geldbuidel te trekken.

De rest is borrelpraat.

Bram Ieven is universitair docent, verbonden aan het Leiden University Centre for the Arts in Society (LUCAS) en doceert in de opleidingen Nederlandse taal, media en cultuur en International Studies.

Frans-Willem Korsten is bijzonder hoogleraar Literatuur en samenleving, verbonden aan het Leiden University Centre for the Arts (LUCAS) in Society en de Erasmus School of History, Culture and Communication.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.