Opinie

Een nieuwe criminele aanpak is nodig, niet ‘meer capaciteit’

Criminaliteitscijfers dalen – intussen onttrekt de zware, gewelddadige criminaliteit zich aan ons zicht. In deze Veiligheidscolumn pleit Piet van Reenen voor een bredere analyse. Wat zien we over het hoofd? En: kunnen we meer bedenken dan alleen extra opsporingscapaciteit?

Willem Holleeder, 2005
Willem Holleeder, 2005 archief NRC

Holleeder heeft het laatste woord gehad in zijn proces. Het wachten is nu op het vonnis. Nooit heeft een proces zo lang geduurd en nooit was er zo veel publiciteit, nooit ook was een onderzoek zo ingewikkeld. Holleeder als verdachte, als kijkcijferkanon, als curiosum, Holleeder als verdienmodel ook.

Het onderzoek en ook de rechtszaak moeten kapitalen gekost hebben. Het motto “het kan lang duren of het kan kort duren, maar hij komt een keer binnen” is nog steeds de lijfspreuk van rechercheurs. Het maakt niet uit wat het kost.

Schort er iets?

Ik vraag me af of iemand wel eens uitgezocht heeft hoeveel dat binnenkomen dan wel gekost heeft. Niet dat je geen werk moet maken van opsporing en van een zorgvuldig proces, dat mag wat kosten. Maar omdat ook de vraag naar de kosten gesteld moet worden. Hoe komt het dat we ons zo veel inspanningen moeten getroosten om een mogelijke dader veroordeeld te krijgen?

Ik kan de antwoorden natuurlijk verzinnen: de zwijgcultuur binnen de onderwereld, niets opschrijven, in geheimtaal spreken, met versleutelde telefoons werken, anderen het werk laten doen. Kortom, een slimme crimineel zijn, maar die antwoorden bedoel ik niet. Mijn vraag is of er iets aan het instrumentarium schort, aan de juridische mogelijkheden en beperkingen, aan de organisatorische voorzieningen, de opsporingsvaardigheden en instrumenten van de politie, aan de menskracht.

Paar schoten

Historisch interessant, denk ik vervolgens, maar daar heeft niemand wat aan. Als alle kopstukken uit de onderwereld dood zijn of vastzitten dan is het probleem opgelost. Geen tijd meer aan besteden. Maar het laatste woord van Holleeder was nog nauwelijks verklonken of er werd weer geschoten, nu in Uithoorn, op een woning en dat was een week eerder elders in die stad ook al gebeurd.

Het probleem is niet voorbij, we kijken van een paar schoten nauwelijks meer op. Even een huisman op het nieuws die roept dat het toch zo’n rustige woonwijk is en weg is de aandacht. Wennen we er gewoon aan?

Folkert Jensma vroeg zich onlangs met een aantal criminologen af of we niet gewoon over een nieuw probleem heen kijken omdat we niet goed weten waar we zoeken moeten. Wat is er aan de hand? De criminaliteit daalt volgens de statistieken, maar de onrust, het geweld en de onveiligheidsgevoelens niet. Wat missen we, kijken we wel de goede kant op, hebben we wel de goede instrumenten? We weten het niet.

Routinisering

Cyrille Fijnaut, onze “criminoloog des vaderlands” meldde in zijn afscheidsrede al dat wetenschappelijk onderzoek naar georganiseerde criminaliteit niet goed meer mogelijk is omdat het te gevaarlijk is geworden voor onderzoekers. Er is een gestage stijging van geweld en bedreigingen van journalisten, eenderde van de burgemeesters krijgt ermee te maken, het aantal handgranaten dat bij kroegen, clubs en shops wordt neergelegd is nauwelijks meer te tellen. Ik herhaal het hier maar even, niet om alles op een hoop te gooien, maar als een poging om het probleem uit de routinisering van periodieke dreigingsbeelden te halen. Elke vier jaar wordt een “dreigingsbeeld georganiseerde criminaliteit” opgesteld.

De term deed schrikken, de eerste keer, de inhoud ook. Maar na vier keer is het rapport routine geworden. Het dreigingsbeeld als routineproduct.

Maar intussen blijft de vraag knagen wat er nu echt aan de hand is, wat we over het hoofd zien en waar dat dan zit. Hoe het komt dat we kennelijk niet goed weten wat hier de oorzaken zijn en hoe de aanpak zou moeten zijn.  Alleen als die vraag wordt aangepakt, kan de minister van J&V een criminele politiek ontwerpen die verder gaat dan budgetverhoging voor de politie. Een beleid dat kans van slagen heeft bij de aanpak van georganiseerde criminaliteit en een die zich niet beperkt tot repressie.

Ook buiten de politie

En er zijn voorbeelden van zo’n aanpak. Na de IRT-affaire werd een viertal vooraanstaande criminologen maanden in een hok gestopt met rapporten, onderzoeken, processen-verbaal en geheim materiaal. Ook daar was de vraag: wat is er aan de hand?

Het antwoord vormde mede de basis voor de aanbevelingen van de IRT-commissie en voor nieuw beleid. Al eerder leidde het rapport van de Commissie kleine criminaliteit in 1986 onder leiding van Hein Roethof tot een nieuwe brede aanpak van die kleine criminaliteit.

Langzamerhand begint de politie weer aan de samenstelling van het nieuwe dreigingsbeeld georganiseerde criminaliteit. Daarvoor wordt een indrukwekkende hoeveelheid bronnen verzameld (pdf hier).

De helft van het werk dat een gezaghebbende commissie zou moeten doen om ons te vertellen wat we over het hoofd zien, om een beeld te krijgen van georganiseerde criminaliteit, om verschijningsvormen en oorzaken te analyseren, wordt al gedaan. Het wordt tijd om dat werk breder te trekken en ook  van buiten de politiële invalshoek te kijken.

Het wordt weer tijd om een aantal briljante experts in een hok te stoppen om die vraag te beantwoorden. Weg uit de routine van de dreigingsbeelden en een handreiking voor een minister waarvan ik hoop dat hij  met ongeduld zit te wachten op de bouwstenen voor een aanpak die niet louter bestaat uit meer politiecapaciteit.

De Veiligheidscolumn wordt geschreven door criminologen en deskundigen uit de politiewereld. Piet van Reenen was politieman, onderzoeker, directeur van de Politieacademie en hoogleraar politie en mensenrechten.