Recensie

Recensie Muziek

Padding laat muziektrio mozartiaanse knorren

Recensie Twee wereldpremières met prominent brommend laag. Martijn Padding zette de spotlight op drie stille orkestkrachten. Mayke Nas waarschuwde voor de fatale versnelling van de verbrandingsmotor.

Nieuwe composities van Martijn Padding en Mayke Nas
Nieuwe composities van Martijn Padding en Mayke Nas
    • Joep Stapel

Programmeur Floris Don van het Rotterdams Philharmonisch wilde een aantal stille orkestkrachten eens in de spotlight zetten. Contrafagot (Hans Wisse), althobo (Ron Tijhuis) en basklarinet (Romke-Jan Wijmenga) kleuren de orkestklank, maar treden hoogstzelden op de voorgrond. Dus vroeg Don componist Martijn Padding, meester van de underdog, om een Tripleconcertino voor ze te schrijven. Padding kuste eerder de stersolist wakker in onwaarschijnlijke kandidaten als mandoline, contrabas en harmonium: als iemand zo’n stunt tot een goed einde kan brengen, dan is het Padding.

In een mooi Mozart-programma met dirigent Jan Willem de Vriend vormde het Tripleconcertino de weerbarstig knorrende outsider. Verstokt Mozart-publiek reageerde in de wandelgangen ook wat knorrig, maar in feite was Paddings palet van heldere motoriek, verrassende mood swings en virtuoze knipogen tamelijk mozartiaans.

Het solistentrio trok steeds gezamenlijk op, dus van individuele karakterontwikkeling was geen sprake. Ook stond het groepje nauwelijks tegenover het orkest; eerder verschoof Padding met een perspectivische truc de aandacht naar de ronkende timbres van het orkestfundament. De verstaanbaarheid van de mompelende solisten kwam soms in het geding, maar vaker zorgde Padding met vondsten voor een fijn groezelige transparantie. Tussen een groovend ‘First movement’ en een afsluitende knotsgekke racepolka zat een beeldschoon middendeel, ‘Quiet and simple’, in gang gezet door een melancholische brompolyfonie van het trio.

Mayke Nas, voormalig Componist des Vaderlands én voormalig student van Padding, schreef voor de NTR ZaterdagMatinee een werk over de „fatale versnelling” van de vooruitgang sinds de uitvinding van de verbrandingsmotor. A horseless carriage heette haar werk, naar de allereerste proto-auto’s. Nas hintte naar het orkestapparaat, dat overwegend uit stokoude instrumenten bestaat – ook een soort koets, waar zij telkens weer een motor in componeert.

Nas liet Asko|Schönberg op allerlei manieren, soms wel erg letterlijk, motorgeluiden imiteren. Het resulteerde in een arsenaal van ratel- en pruttelklanken: snarengeschraap, puffende blazers (ironisch genoeg net briesende paarden), rammelende kettingen. Nas onderbrak de motorimitatie met zwangere stiltes, waaraan het diepe gonzen van de ‘snorrebotten’ (aan een touwtje rondgezwierde boemerangs) een spannende gloed verleende. Aan het slot zorgden felle tegenritmes van hihats en koebellen voor een dreigende chaos, maar een werkelijk indringend vraagteken bij ons tijdsgewricht werd A horseless carriage toch niet.