Brieven

Brieven 6/4/2019

Antisemitisme

Gele hes en keppel

Bijna tien jaar geleden vertelde Rob Wurms, ‘koster’ van de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam, wanneer hij zijn keppel droeg: „Als ik de synagoge in ga, zet ik mijn keppel op, als ik de synagoge verlaat, doe ik hem af”. Dat gold ook voor mij. De vraag die opkwam: waarom zou men, als Jood, zo handelen? Ik kon geen bevredigend antwoord bedenken. Sindsdien ben ik de keppel in toenemende mate in het openbaar gaan dragen en bid ik vrijwel dagelijks ’s ochtends in de trein naar mijn werk: zonder gebedskleed en zonder gebedsriemen, maar met keppel en een klein Hebreeuws gebedenboek. Het gebed is stil, ik zit of sta (een deel van het gebed wordt in stilte staand gelezen) niemand in de weg. De reacties? Behoudens een enkeling die ‘shalom’ zegt of zijn liefde voor Israël betuigt, geen reactie. Het bleek niemand iets uit te maken.

Frankrijk staat er in de berichtgeving over antisemitisme niet fraai op. Daar kan ik geen jota aan veranderen, maar ik kan er wel mijn eigen ervaring naast zetten. Sinds vijf jaar gaan we in de zomervakantie naar Normandië, naar gebieden en plaatsen met vooral Franse vakantiegangers. Geen van de vakantiegangers heeft zich ooit gestoord aan mijn keppel. Valt hier iets uit op te maken? Wat Frankrijk betreft: we zitten op het strand, niet in de banlieus. Het lijkt erop dat Fransen, wanneer met vakantie en niet gehesen in gele hesjes, zich tegenover een enkele Jood tolerant, in ieder geval niet actief beledigend opstellen. Wat Nederland betreft: de helaas noodzakelijke bewaking transformeert Joodse objecten tot fortificaties. Maar het wordt tijd dat Joden in Nederland en daarbuiten hun Jodendom frank en vrij, zichtbaar en onopvallend kunnen uitdragen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Want dat is het.

NAVO

De stille kracht

Uit eigen ervaring kan ik een vaak onderbelicht, positief aspect aan (het bestaan van) de NAVO benadrukken: de grandioze samenwerking tussen landen wier culturen en ‘nationale mentaliteiten’ (als zoiets bestaat) vaak ver uit elkaar liggen (De NAVO viert moeizaam feest, 5/4). Meewerken in een onderzoeks- en ontwikkelingsteam van de NATO STO (Science and Technology Organization) is één van de mooiste ervaringen in mijn carrière geweest. De sfeer tussen – wat vaak Europa’s beste ingenieurs en technici zijn – is er joviaal en er wordt keihard gewerkt. Uit enthousiasme. Een Catalaan werkt er moeiteloos samen met een Spanjaard, een Noor vertelt een schuine grap waar de Italiaan en de Nederlander om grinniken, een competente Britse houdt de bureaucratie onder controle – en er worden doorlopend resultaten geboekt. STO treedt niet al te zeer in de openbaarheid. Maar het werkt vlijtig aan uw en mijn veiligheid.

Christchurch

What’s in a name?

Jacinda Ardern, de premier van Nieuw-Zeeland, liet weten nooit meer de naam van de schutter en moordenaar van Christchurch te zullen noemen (Premier Nieuw-Zeeland: wel zacht, niet geitenwollensokkerig, 22/3). Haar voornemen kon op veel waardering rekenen. Aan NRC is dat duidelijk niet besteed en dat is triest. Op 5 april wordt de schutter in de NRC op pagina vier en vijf met naam en toenaam ‘in het zonnetje gezet’ (De schutter van Christchurch reisde door Europa op zoek naar zijn eigen gelijk, 5/4). Hij krijgt daar volledig z’n publicitaire zin. En het was natuurlijk ook zwaar voor hem op zijn moeizame tocht door Europa die uiteindelijk in een moordpartij zou eindigen. Redacteuren moeten hun stuk kunnen schrijven zónder de naam van de schutter – een interessante journalistieke en morele uitdaging.