Recensie

Recensie Boeken

Tegen het cynisme, voor de vrijheid

Russische denkers Thijs Kleinpaste contrasteert het zwarte mensbeeld van de slavofiele Dostojevski met het werk van drie optimistische tijdgenoten.

Paasprocessie in de omgeving van de Zuid-Russische stad Koersk, ca. 1880, geschilderd door Ilja Repin (1844- 1930)
Paasprocessie in de omgeving van de Zuid-Russische stad Koersk, ca. 1880, geschilderd door Ilja Repin (1844- 1930) Uit de collectie van de Tretjakov Gallery, Moskou
    • Rob Hartmans

In 1924 schreef de kunsthistoricus, taalkundige en literator André Jolles aan zijn vriend Johan Huizinga: ‘Ik zag met genoegen dat wij het over Dostojevski eens zijn. Een geweldige, donkere Mastodont, een somber gewelf vol met foltertuig … maar zoo ver, zoo ver van wat jij en ik “les belles lettres” noemen. In het Fransch vertaald kan ik hem nog net eventjes lezen – in het Duitsch krijg ik er onverdraaglijke hoofdpijn van. Hoe komt de wereld ertoe in dit moeras te willen baden?’

In dit oordeel stonden beide heren niet alleen, aangezien ook Isaiah Berlin depressief werd van het lezen van Dostojevski, die door Vladimir Nabokov werd afgeserveerd als een ‘derderangs schrijver [wiens] roem onbegrijpelijk’ was en die in de ogen van Karel van het Reve uit de bocht gevlogen ‘keukenmeidenromans’ schreef.

Aangezien Dostojevski (1821-1881) nog altijd gelezen en vertaald wordt, moeten er velen zijn die hier heel anders over denken. Naar aanleiding van Arthur Langevelds in 2005 verschenen vertaling van De broers Karamazov schreef Bas Heijne bijvoorbeeld: ‘De overtuiging van Nabokov kun je […] gemakkelijk omdraaien: wie Dostojevski een groot schrijver vindt, mag dan niet veel van literatuur hebben begrepen, maar wie Dostojevski geen groot schrijver vindt, heeft niet veel van het leven begrepen.’ De Russische romancier wordt immers door velen gezien als een auteur wiens proza wellicht niet erg verfijnd en inventief was, maar die dieper dan wie ook in de menselijke ziel geschouwd heeft, als een nietsontziende denker die vernietigende kritiek had op de illusies van de Verlichting en de rationaliteit en die aantoonde dat achter idealen en goede bedoelingen altijd eigenbelang en zelfbedrog schuilgaan. Dostojevski als de illusieloze visionair die de krankzinnigheid van het menselijk bestaan heeft blootgelegd – het is een beeld dat nog altijd populair is.

In Tegenover Dostojevski plaatst historicus Thijs Kleinpaste (1989) hier echter nogal wat kanttekeningen bij. Hij geeft toe dat Dostojevski’s hallucinante beschrijvingen van de zondige, met schulden beladen mens iets ‘bedwelmends en onweerstaanbaars’ hebben. Maar hij vergelijkt dit met de ‘morbide fascinatie’ die een ongeluk of ramp op ons heeft en die er de oorzaak van is dat we ondanks alle gruwelijkheid hier toch naar willen kijken.

Het probleem is natuurlijk dat vele krankzinnigen die Dostojevski heeft beschreven maar al te gemakkelijk worden geïdentificeerd met ‘de mens’, en dat het blijkbaar aanlokkelijk is om deze irrationele, woest om zich heen slaande maniak elke keer te voorschijn te toveren ‘als we onszelf misschien al te veel idealisme toestaan’ en hem het zandkasteel van onze illusies omver laten schoppen.

Idiote karikatuur

Volgens Kleinpaste is dit mensbeeld een idiote karikatuur en hij vraagt zich daarom af waarom velen Dosto-jevski zo ‘wijs’ vinden. ‘Waarom is het naïef te geloven in de goeiigheid of redelijkheid van mensen, maar pienter om ervan overtuigd te zijn dat hun psyche een vat vol demonen is? Wat is er zo scherpzinnig aan een mensbeeld dat zo vaak alleen lijkt te bestaan als spiegelbeeld van een stroman?’

Het sympathieke van het boekje van Kleinpaste is dat de auteur niet nogmaals met literaire en filosofische bezwaren tegen Dostojevski komt – hij is geen slavist en baseert zich op vertalingen – maar dat hij diens inktzwarte mensbeeld en conservatieve politieke opvattingen contrasteert met het werk van drie Russische tijdgenoten, die ondanks allerlei tegenstellingen met elkaar bevriend waren en in veel opzichten tegenover de auteur van Boze geesten en Misdaad en straf stonden.

Terwijl Dostojevski op zeker moment de ‘Russische ziel’, de tsaristische autocratie en het christendom ging verheerlijken, bleven Vissarion Belinski (1811-1848), Alexander Herzen (1812-1870) en Ivan Toergenjev (1818-1883) zich oriënteren op het Westen en het gedachtegoed van de Verlichting, zonder dit overigens kritiekloos te omarmen. Hoewel Dosto-jevski als geen ander de misère en aberraties van tsaristisch Rusland heeft geschilderd – hijzelf had immers een schijnexecutie en dwangarbeid moeten doorstaan – kwam hij later tot de conclusie dat de totale vrijheid gezien de condition humaine niet haalbaar was en het enige alternatief de totale onderwerping was.

Belinski, Herzen en Toergenjev waren in hun kritiek op het reëel bestaande tsarisme niet minder fel, maar bleven ervan overtuigd dat er een uitweg uit dat tranendal was. En hoewel Herzen en Toergenjev het mislukken van de revoluties van 1848 in het Westen betreurden, bleven zij overtuigd van de idealen van vrijheid, gerechtigheid en menselijke waardigheid.

De liberaal Toergenjev mocht dan fatalistischer zijn dan de socialist Herzen, zij bezweken beiden niet voor het cynisme en in tegenstelling tot Dostojevski schoven zij hun teleurstellingen niet af op de rest van de wereld. Hun scepsis verschilde fundamenteel van die van Dostojevski, dat volgens Kleinpaste sterk leek op de houding van degenen die zich tegenwoordig bijvoorbeeld ‘euroscepticus’ of ‘klimaat-scepticus’ noemen. Een houding die weinig te maken heeft met een sceptische, weifelende en relativerende grondhouding, maar veel meer voortkomt uit een behoefte aan nieuwe dogma’s, aan ideologische zekerheid en het gevoel van superioriteit.