Recensie

Recensie Boeken

Spannend proza over dolende twintigers

    • Judith Eiselin

Debuten in Nederland gaan wel vaker over dolende, ronddobberende twintigers. Maar Evelien Vos’ (1987) onderkoelde manier van schrijven is spannend, vindt onze recensent.

Bramen horen in een wit vergiet; gehaktballen in een oranje emaillen pan. Zo deden de oma’s het. Lucy, de hoofdpersoon van Niemand keek omhoog, de debuutroman van Evelien Vos (1987), zoekt naar houvast, naar handvatten en leefregels. Haar familie biedt echter weinig soelaas. Haar moeder vindt haar mislukt en ‘onbenaderbaar’, haar grootvader, die ze trouw bezoekt, schaamt zich voor haar.

Lucy zelf houdt zich opmerkelijk koest. Ze rookt, ze rookt nog wat meer, ze schrijft en vertaalt wat, kijkt in bad naar blauwe plekken op haar benen, die zij voor ‘levendig’ houdt, en doet, zo lijkt het, haar best zo min mogelijk op te vallen en vooral geen aanstoot te geven. Ze heeft geen toekomstplan, geen ambitie, geen grip op zichzelf, ze heeft niet eens een boodschappentas. Ze ervaart niets dan willekeur en weet niet hoe ze zich ergens of aan iemand zou moeten hechten.

Geraffineerd

Op het eerste gezicht is er weinig bijzonders aan de registrerende stijl van Niemand keek omhoog. Debuten gaan in Nederland wel vaker op een dergelijke manier over dolende, ronddobberende twintigers met vervelende familieleden, en zonder plan. Maar Vos’ proza is spannend, juist dankzij de onderkoelde wijze waarop haar ik-persoon de wereld waarneemt. Geraffineerd wekt ze het vermoeden dat er meer achter moet zitten. Ze laat je raden naar wat er aan de hand is, welke lading de woorden precies hebben, je gaat je gaandeweg steeds meer afvragen of de verteller eigenlijk wel betrouwbaar is.

Er wordt weinig uitgelegd. Veelzeggend zijn details, zoals dat de vader van de moeder geen kibbeling mag eten – dat is voor Duitse toeristen. Je leest er haast overheen, maar concludeert net op tijd hoe die vader onder de plak zit, hoe hij zichzelf wegcijfert, en als het ware ‘uit staat’. Op vergelijkbare wijze leeft de dochter, al probeert ze soms wel wat.

Hier en daar heeft ze een ontluisterend avontuur met een jongen. De een trommelt in bad trots op het door de opwaartse druk uitgerekte vel van zijn balzak, de ander houdt angstvallig zijn rugzak op tijdens seks in de buitenlucht.

Doodskist

Over het geheel genomen doseert Vos de informatie vernuftig. Zorgvuldig kiest zij haar woorden en beelden. Af en toe wordt het iets té verhuld, en te mooi. In de zin: ‘Het waaide in Haarlem zo hard dat de bloemen bijna van de eikenhouten planken vlogen’, duurt het te lang voordat je je realiseert dat ‘de eikenhouten planken’ de doodskist van opa moeten zijn.

Maar over het geheel genomen laat Vos de lezer heel verdienstelijk veel te raden en bijeen te puzzelen. Niemand keek omhoog is in al zijn kaalheid broeierig en zelfs enigszins benauwend. Groot drama komt zomaar ineens, haast letterlijk uit de lucht vallen. Die klap komt, dankzij het kalm geregistreerde geëmmer tot dan toe, extra hard aan. Hoe behoedzaam en voorzichtig de ik-figuur ook leeft, te voorkomen valt er niets, zoveel is duidelijk. Iets wijzer wordt Lucy uiteindelijk wel: ‘Alles wat ik zag, kon in één klap in kleine stukjes uit elkaar knallen, maar nu waren we hier.’