Lenzenmaker en adviseur (maar niet voor de Duitsers)

Ze waren belangrijk voor de wetenschap, maar deze vrouwen stonden in de schaduw. Deze week: lenzenmaker Lili Bleeker (1897-1985).

Lili Bleeker, de jongste dochter van een predikant uit Middelburg, was altijd al eigenzinnig. Tegen haar moeders zin ging ze naar de hbs en deed daarna staatsexamen hbs-b. Dat was niet gewoon in die tijd: tot 1906 hadden meisjes die de hbs wilden doen, zelfs toestemming aan de minister moeten vragen. Aan die dans was Bleeker ontsnapt. Ze ging wis-, natuur- en sterrenkunde studeren in Utrecht en promoveerde in 1928 bij Leonard Ornstein, de baas van het Utrechts Natuurkundig Laboratorium.

Maar al promoveerde ze cum laude en benoemde Ornstein haar tot hoofdassistente, toch verliet Bleeker het lab weer snel. Bescheidenheid en gedienstigheid lagen nu eenmaal niet in haar aard, terwijl een ‘mejuffrouw’ in een lab al gauw met gedienstige taken werd opgezadeld. Bovendien was kiezen voor natuurkundig onderzoek aan de universiteit, óók kiezen voor een vrijgezellenbestaan, omdat vrouwen bij hun huwelijk uit overheidsdienst werden ontslagen.

Inspriratie voor TNO

Daar paste Bleeker voor. Zij ging, ongehuwd, samenwonen met oud-studiegenoot Gerard Willemse, én richtte haar eigen bedrijf op. Haar Physisch Adviesbureau stond industriële en universitaire laboratoria met raad en daad ter zijde, en dat was zo origineel dat het anderen zelfs inspireerde tot het oprichten van TNO.

Bleeker zelf richtte zich intussen op advies van de Groningse hoogleraar Frits Zernike, een vriend en beroemd om zijn werk in de optica, steeds meer op de productie van lenzen, microscopen en verrekijkers. In drie panden aan de Korte Nieuwstraat in Utrecht werkten in 1939 zeker 25 medewerkers daaraan. Maar aan die bloei kwam een einde toen Bleeker weigerde verrekijkers of lenzen voor de Duitse bezetters te maken. Het bedrijf raakte in verval en Bleeker, die de overgebleven personeelsleden uit eigen zak betaalde, hield het voornamelijk open wegens de joodse onderduikers die er huisden. Toen in 1944 de Feldgendarmerie binnenviel kon Bleeker ze net lang genoeg aan de praat houden om die onderduikers te laten ontsnappen. Maar de vader van Willemse, die in de kelder illegaal drukwerk verzorgde, werd opgepakt en later gefusilleerd en het bedrijf werd leeggeroofd.

Met een herstelkrediet en een koninklijke onderscheiding vocht Bleeker zich na de oorlog terug. Begin 1949 in Zeist opende haar nieuwe bedrijf Bleeker Optiek NV. „Tot directeuren [werden] benoemd de heren dr. C.E. Bleeker en drs. G.J.D.J. Willemse”, schreef het Algemeen Handelsblad. Een vrouw als directeur zat nog niet in het systeem van de heren redacteuren, maar het bedrijf was een succes. Vooral de Nobelprijs die Frits Zernike in 1953 kreeg voor zijn vinding van de fasecontrastmicroscoop, was een opsteker. Bleeker had met Zernike aan de ontwikkeling van zulke microscopen gewerkt en deelde met hem het octrooi op de bouw ervan. Zo was haar bedrijf de eerste producent ter wereld van deze microscopen die ook bijna transparante voorwerpen kleur en diepte geven. Het had in 1955 al 150 medewerkers.

Puzzeltochten en concerten

Tegelijk kreeg ruim vijf jaar later juist Bleeker het verwijt ouderwets te zijn. Vrouwelijke werknemers hadden haar geprezen omdat ze in het bedrijf „de verhouding der sexen een beetje in evenwicht” bracht, maar begin jaren zestig gold ze ineens als lastige dame. Haar bedrijfsvoering – met onderwijs, puzzeltochten en concerten voor het personeel, én heel autoritair – was achterhaald en Bleeker en Willemse verlieten de zaak.

17 jaar later verloor Bleeker eerst Willemse, en daarna, tijdens vijf eenzame jaren met alzheimer, haar herinneringen. Zelfs haar omgeving vergat welk verhaal er achter deze vrouw zat. In 1985 werd ze begraven in een naamloos graf naast Willemse in Zeist. Dankzij biograaf Gijs van Ginkel ligt er sinds 1997 een steen met haar naam.