Lachen, gieren, leren – de lach is niet oppervlakkig

Filosofie Het komische is misschien onze belangrijkste morele leerstof schrijft cabaretier en filosoof Tim Fransen.

Illustratie Nanne Meulendijks

De laatste kerstavond dat mijn opa nog leefde, vertelde hij bij mijn ouders aan de eettafel een anekdote. In de jaren zeventig was hij alleen op vakantie in het toenmalige Joegoslavië. Als iemand met een grote voorliefde voor de zee, stond hij vergenoegd in het water toen plotseling een hoge golf zijn kunstgebit uit zijn mond spoelde. In paniek zocht hij in het zoute water naar zijn tanden. Hij dook naar de bodem, maar elke keer ontsnapte het kunstgebit hem. Uiteindelijk hield hij het klem onder zijn voet op de zeebodem, en hij riep naar de kant dat iemand anders het moest opduiken. Dat duurde en dat duurde maar, en ondertussen voelde hij het kunstgebit steeds verder wegzakken in het zand.

Terwijl mijn opa dit vertelde, schaterde iedereen van het lachen. Ook ik, al was ik ondertussen ook vertwijfeld. Want was dit wel bedoeld als een komisch verhaal? Bedoelde opa het niet als een dramatisch verhaal? Er was geen lach op zijn gezicht te zien. Sterker nog, hij leek de paniek van destijds levensecht opnieuw te beleven.

De inhoud van het verhaal was onmiskenbaar tragisch. Het bood een illustratie van de menselijke kwetsbaarheid: überhaupt al het feit dat ons natuurlijke gebit ons in de steek laat en we een beroep moeten doen op een kunstmatig substituut. Maar het toonde vooral de vaak onbarmhartige buitenwereld die, in de woorden van Freud, ‘met oppermachtige, meedogenloze, vernietigende krachten tegen ons tekeer kan gaan’, in dit geval in de vorm van een golf die onze neptanden uit onze mond slaat. Het vooruitzicht van een vakantie zonder gebit stemt op zichzelf al weinig vrolijk. Moeten we de komende drie weken doorkomen met pap en soep? En hoe komen we in een vreemd – nota bene: communistisch – land aan een nieuw kunstgebit? Dus wat viel er eigenlijk te lachen aan al deze ellende?

Illustratie Nanne Meulendijks

Het feit dat ik niet met zekerheid kon zeggen wat de intenties van mijn opa waren met dit verhaal, toont iets wat mij diep fascineert: namelijk, hoe dicht het komische en het tragische bij elkaar liggen. Ze vormen niet elkaars tegenpolen, maar zijn nauw aan elkaar verwant. En ik geloof dat hun verwantschap ons iets belangrijks te vertellen heeft over onze precaire menselijke conditie.

Lachen om de misère

Wij mensen zijn doorgaans maar weinig geïnteresseerd in de werkelijkheid, zeker als die ons niet goed uitkomt. We lijken voornamelijk in de werkelijkheid geïnteresseerd voor zover die onze belangen dient. Wanneer de werkelijkheid daarentegen met onze belangen botst, deinzen we er niet voor terug haar te verdraaien, of zelfs ronduit te ontkennen, vaak zonder dat we het zelf doorhebben.

Eén van onze voornaamste belangen is het bewaren van ons psychische welzijn. Dit doel staat bijna per definitie op gespannen voet met de realiteitszin. De reden daarvoor is evident: de realiteit is vaak ongenadig. Om Freud er nog eens bij te halen: ‘Het leven zoals dat ons is opgelegd is te moeilijk voor ons, het bezorgt ons te veel verdriet, teleurstellingen, en onoplosbare problemen. Wij kunnen het alleen verdragen met verzachtende middelen.’

De vraag is hoe we de spanning kunnen oplossen tussen de onaangename waarheid over ons bestaan enerzijds, en ons psychische welzijn anderzijds. En dat is waar het verhaal van mijn opa bij te pas komt. Of eigenlijk: dat is waar het komische perspectief bij te pas komt.

In mijn ogen biedt het komische perspectief ons de mogelijkheid om die spanning op te lossen. Het biedt ons de mogelijkheid met een andere blik te kijken naar de tragiek die inherent is aan het leven; een blik die de tragische werkelijkheid erkent, maar die deze tegelijkertijd lichter en dragelijk maakt.

Daarbij wil ik alvast één misverstand uit de weg ruimen. Wat ik niet bedoel is zoiets als: ‘Het leven kent een hoop misère, dus we kunnen maar beter blijven lachen.’ In deze zin heeft humor veel weg van één van die verzachtende middelen die Freud noemt. Inderdaad kan humor ook een manier zijn om ons soms welkome afleiding te bieden van alle ellende. Maar wat mij interesseert is niet humor als afleiding, maar juist het soort humor dat onze blik richt op de onaangename werkelijkheid van het mens-zijn.

Humor is licht, kunst heeft gewicht.

We leven in een wereld met uitdagingen die in schaalgrootte onovertroffen zijn. Om er een paar te noemen: de steeds diepere kloof tussen arm en rijk, allerhande milieuproblematiek, waarvan klimaatverandering misschien de voornaamste is, multinationals die immense invloed uitoefenen op ons dagelijks leven, zoals Google en Facebook.

Deze uitdagingen vereisen een ferme gezamenlijke grond. Hierin kan humor een belangrijke rol spelen. En juist deze rol van het komische is in mijn ogen tot op heden onderbelicht geweest. Humor zien we nog steeds als entertainment, als vertier dat ons even kan afleiden van de realiteit. Het komische is hoogstens een leuke versiering van een goed leven, maar informeert ons niet over dat goede leven zelf. Het soort kunst dat de geest voedt en verheft, is toch vooral ernstig. Humor is licht, kunst heeft gewicht. Zo is het idee.

Een les die we beter kunnen leren van komische films als Turist en The Lego Batman Movie dan van Schindler’s List

En daarom maakt humor niet eens aanspraak op de status van ‘Kunst’. Zoals bij de Oude Grieken de tragedie oneindig veel hoger in aanzien stond dan de komedie, zo is dat nu nog steeds. Neem bijvoorbeeld de kunstvorm film. In de afgelopen dertig jaar is de Oscar voor Best Picture slechts drie keer gewonnen door een film die binnen het genre comedy valt (The Artist in 2011, Birdman in 2014 en Green Book in 2019). De andere 27 jaren wonnen ernstige films; films over niet-gerelativeerd drama. Hoe zou dit komen? Allereerst heeft de komedie vermoedelijk te kampen met een vooroordeel dat we hebben over de menselijke emoties, namelijk: de ontroering is diepzinnig, de lach daarentegen is oppervlakkig. Misschien heeft de overwaardering van de ernst ook te maken met wat Nietzsche suggereerde: we hebben een rechtvaardiging nodig voor ons bestaan. En datgene vinden we in iets waar niet om gelachen mag worden. Ernst beschouwen we daarbij als de voorwaarde voor echte betekenis. Humor daarentegen is relativerend en daarmee betekenisondermijnend, is het idee. Als we van dit leven een zinnig geheel willen maken, dan moeten we het ‘serieus nemen’.

Nogal een hoge pet van onszelf

Maar wat nu als de grote valkuil van de mens is dat hij zichzelf te serieus neemt? In de catalogus van de menselijke tekortkomingen is er iets dat telkens weer terugkomt: we hebben nogal een hoge pet op van onszelf. Neem alleen al de vraag naar de zin van het bestaan; de vraag die de mens sinds jaar en dag heeft proberen te beantwoorden.

In feite getuigt die vraag op zichzelf al van een staaltje hoogmoed.

Lees ook: Nietzsches les voor Nederland

Want van alle andere dieren – konijnen, varkens, zelfs van onze ‘familieleden’, bonobo’s en chimpansees – kunnen we ons moeilijk voorstellen dat het universum een speciaal plan voor ze in gedachten heeft. Maar in het geval van onze eigen soort kunnen we ons onmogelijk voorstellen dat het niet zo is.

Voor een wezen dat zichzelf zo serieus neemt als de mens, vormt het komische misschien wel zijn belangrijkste morele leerstof. Van een goede komedie – of het nu in de vorm is van een film, een roman, een cabaretvoorstelling of een toneelstuk – kunnen we een les leren waarvoor geen ander genre beter geschikt is – een les die we beter kunnen leren van komische films als Turist, The Lego Batman Movie en The Death of Stalin dan van Schindler’s List. En misschien is het niet eens een les, als wel een herinnering aan wat we eigenlijk wel weten: dat we gebrekkige, sterfelijke wezens zijn, dat we het hier op aarde moeten stellen zonder absolute antwoorden over wat de bedoeling is. We worden ziek, we takelen af, we sterven, we struikelen, we hebben een vlek tomatensaus op ons shirt, we worden verkeerd begrepen of begrijpen de ander verkeerd, we vallen door de mand, en we doen een verbeten poging om al deze dingen te vermijden en te ontkennen. Juist de komedie kan ons ervan bewust maken dat die pogingen gedoemd zijn te mislukken en een ruimte scheppen waarin troost en compassie kunnen bestaan. Het legt onze destructieve en verwaande neiging tot superioriteit het zwijgen op, doordat het ons inpepert dat we uiteindelijk allemaal tot falen gedoemd zijn.

Lees ook het interview Tim Fransen: ‘De penis is een dankbare bron van humor’

Wat we dan ook nodig hebben is een cultuur waarin het besef van onze feilbaarheid geldt als grondvest van beschaving; een cultuur waarin we onszelf en waar we in geloven serieus nemen, maar nooit te serieus.

In zo’n cultuur is de mens niet ineens een ander wezen met andere neigingen, maar leert hij sommige van zijn neigingen zien voor wat ze zijn, namelijk belachelijk.

Dit artikel is een bewerking van Het leven als tragikomedie, over humor, kwetsbaarheid en solidariteit, het essay dat Tim Fransen in opdracht van de Maand van de Filosofie schreef. Lemniscaat, 155 blz, 4,95 euro.