Alle koolmezen zijn nieuwsgierig, maar de mate waarin verschilt – daar begint persoonlijkheid.”

Foto Lars van den Brink

Koolmeesvrouwtjes zoeken niet per se een stoer mannetje

Hoogleraar persoonlijkheid bij dieren Dieren hebben persoonlijkheid. Kees van Oers onderzoekt al twintig jaar het karakter van koolmezen.

Naar vogelaarsmaatstaven is de koolmees natuurlijk verre van spectaculair, haast Kees van Oers zich te zeggen als we zijn werkkamer bij het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) in Wageningen binnenlopen. Hij wijst semi-verontschuldigend naar de koolmeesvormige kaarsjes en de koolmeesknuffel op zijn bureau. „Als je ze voor de kijker hebt, is dat natuurlijk niets vergeleken bij een lammergier. Maar als modelsoort is de koolmees ontzettend interessant.”

Hij onderzoekt koolmezen al ruim twintig jaar. Niet vanwege hun uiterlijk, maar vanwege hun innerlijk – van Oers is in 2018 benoemd als bijzonder hoogleraar persoonlijkheid bij dieren. En juist individuele karaktertrekken zijn bij koolmezen goed te bestuderen. „Onder meer omdat we zoveel van ze weten. Ruim een eeuw geleden maakte de soort een opmars in Nederland: mensen hoopten dat ze vraat door rupsen zouden tegengaan. En dus werden er op grote schaal nestkastjes in bomen geïnstalleerd.” De rol als plaagbestrijder in bossen bleek gering, maar biologen begonnen algauw de voordelen van hun aanwezigheid in te zien. „Koolmezen leggen veel eieren, zowel hun gedrag in het lab als in de vrije natuur is goed te bestuderen, ze vertonen natuurlijk onderzoekend gedrag… Ze zijn altijd op zoek naar eten, en als je ze iets nieuws aanbiedt, zoals dit” – hij haalt een rubberen Pink Panter-figuur tevoorschijn – „dan gaan ze er vaak direct op af.”

Nieuwsgierig zijn ze allemaal, maar de mate waarin verschilt

Kees van Oers Hoogleraar persoonlijkheid bij dieren

Vaak, maar niet altijd. Want sommige koolmezen zijn, zoals het in ecologentermen heet, ‘traag exploratief’, terwijl andere juist snellere explorateurs zijn. „Nieuwsgierig zijn ze allemaal, maar de mate waarin verschilt – en daar beginnen de persoonlijkheidsverschillen.”

Dus de snelheid waarmee een koolmees een stuk speelgoed benadert, zegt iets over zijn persoonlijkheid?

„In ieder geval over een deel ervan. We kijken bij dieren in principe naar vijf verschillende karaktertrekken – agressie, brutaliteit, sociaal gedrag, nieuwsgierigheid en activiteit. Voor elke soort houdt dat wat anders in: bij dieren die in groepsverband leven heeft sociaal gedrag niet dezelfde functie als bij solitaire dieren. Je kunt deze test ook niet zomaar bij alle dieren doen. Geef je een ijsbeer een stuk speelgoed, dan gaat hij er misschien gewoon boven op zitten, ongeacht zijn mate van nieuwsgierigheid. En zelfs verschillende vogelsoorten reageren al verschillend: een bonte vliegenvanger heeft een heel andere manier van voedsel zoeken dan een koolmees: niet rondscharrelen, maar gewoon op een takje blijven wachten. Dus bij die vliegenvanger zal exploratief gedrag – een maat voor nieuwsgierigheid dus – een andere vorm aannemen. We kunnen dus aan de hand van koolmeesgedrag niet zomaar iets zeggen over álle dieren.”

Vijf gedragskenmerken lijkt niet veel…

„Toch zijn het er evenveel als bij mensen wordt gemeten met de Big Five-persoonlijkheidstest. Alleen kijken we daarbij naar andere dimensies: extraversie, vriendelijkheid, emotionele stabiliteit, ordelijkheid en openheid. Daarbinnen zijn dan weer allerlei nuances te onderscheiden. Dat is ook bij dieren zo. Te grote dingen meten streeft zijn doel voorbij. We zijn geen dierpsychologen die het hele karakter van één specifiek dier in gevangenschap proberen te doorgronden, of huisdierbezitters die de psyche van hun hond of kat willen doorgronden. Wij kijken meer naar ecologisch relevante gedragingen, naar de variaties in gedrag binnen een individu ten opzichte van soortgenoten. Een dier kan in dezelfde situatie verschillend reageren – de ene dag kan een koolmees bijvoorbeeld iets sneller reageren dan de andere – daarom meten we meerdere keren, zodat we weten hoe groot die persoonlijke variatie is. Vervolgens vergelijken we het gedrag van het individuele dier in het veld met dat van soortgenoten: hoe succesvol is zo’n vogel in het zoeken naar voedsel, in het vinden van een partner, in het krijgen van nakomelingen…”

Zijn brutale mezen succesvoller dan hun verlegen soortgenoten?

„Biologen zijn er lang van uitgegaan dat optimaal gedrag wordt beloond in de natuur, dat bepaalde – vaak brutale – dieren het beter doen. Maar soms is brutaliteit in het voordeel, en soms niet. En omdat omstandigheden in de natuur wisselen, is die variatie in persoonlijkheid heel nuttig. Koolmeesvrouwtjes zijn niet altijd gek op de stoerste mannetjes met de breedste borststreep, partnerkeuze hangt heel erg van het individu af. Net als bij mensen. Brutalere vrouwtjes kiezen vaak een zorgzamere man, en andersom. Dé perfecte koolmees bestaat dus niet, en eigenlijk is het gek dat we er zo vaak van uit gaan dat optimaal gedrag bestaat. Als dat zo was, dan zouden de dieren met minder optimale gedragskenmerken waarschijnlijk allang verdwenen zijn door evolutie. Maar je kunt nu eenmaal niet in alles goed zijn, dus je moet je specialiseren. In verleidingstechnieken, of in zorgzaamheid, noem maar op. Dat geldt voor mezen én voor mensen. Wij kunnen onze mindere eigenschap tot op zekere hoogte nog proberen te verbloemen, maar bij dieren gebeurt dat niet. Wat dat betreft komt hun karakter puurder naar voren dan dat van ons.”

Hoe ontstaan karakterverschillen?

„Het is een samenspel van nature en nurture. Hormonen als testosteron spelen een belangrijke rol, net als overgeërfde eigenschappen. Daarbij draait het voor een belangrijk deel om epigenetica: de verzamelnaam voor alles wat het aflezen van genen beïnvloedt zonder dat de code zelf verandert. Bepaalde ervaringen en leefomstandigheden, zoals voedselbeschikbaarheid, kunnen het expressiepatroon van de genen beïnvloeden.

Koolmeesvrouwtjes zijn niet altijd gek op de stoerste mannetjes

Kees van Oers Hoogleraar persoonlijkheid bij dieren

Om de erfelijke invloeden van de omgevingsinvloeden te scheiden, doen we verschillende experimenten. Zo hebben we bijvoorbeeld een ‘puberruil’ gedaan bij koolmezen. We wisselden in alle nesten de helft van de kuikens om. Iedere ouder voedde daardoor deels zijn eigen jongen op, en deels die van een ander. Toen de kuikens eenmaal volwassen waren, hebben we hun persoonlijkheid gemeten. Het blijkt bijvoorbeeld dat je als koolmees later veel minder exploratief wordt, als je in je jeugd veel voedsel krijgt.”

In nestkastjes hameren koolmezen soms de schedel van hun concurrent in met hun snavel, en eten de hersenen op. Is dat ook een karaktertrek?

Lees over agressie: Koolmees splijt schedel van concurrent in nestkast

„Zowel bonte vliegenvangers als pimpelmezen moeten soms het loodje leggen, onder andere vanwege broedplekconcurrentie. Of het meer gebeurt door agressievere koolmezen zou ik niet durven zeggen. Ik zou eens kunnen kijken of in de kast waar dode vogels worden gevonden meer exploratieve dieren broeden of slapen in de winter.”

Wat hebben we eraan de persoonlijkheid van dieren te begrijpen?

„We leven samen met ze, zijn zelfs afhankelijk van ze. Als we niet uitgaan van de soort, maar van individuen, dan kan dat het dierenwelzijn op boerderijen bijvoorbeeld verhogen. Nu worden vaak snelgroeiende kippen gefokt, maar die zijn ook het agressiefst. Als we de diversiteit van karakters in zo’n groep kippen vergroten, dan heeft dat een positief effect op de dieren. Ook bij herintroductie van soorten beïnvloeden de persoonlijkheden het slagingspercentage: willen die twee otters wel samen een paar vormen?

„Maar het bestuderen van het gedrag van dieren die verder van ons afstaan heeft ook z’n waarde. Heremietkreeften, fruitvliegjes, mieren, schaatsenrijders: allemaal worden ze onderworpen aan persoonlijkheidsonderzoek. Als we het gedrag van andere soorten beter begrijpen, kunnen we van ze leren. Ze houden ons een spiegel voor: hoe gaan wij om met het milieu waarin ze leven, hoe gaan zij om met bijvoorbeeld het nemen van risico’s? Daar kunnen we belangrijke lessen uit leren voor ons eigen voortbestaan.”