Je bouwt geen land op doden

Rwanda De genocide in Rwanda is 25 jaar geleden. Afrika-correspondent Koert Lindijer deed in 1994 voor NRC verslag en bleef het land ook later bezoeken.

Een vader houdt zijn kind vast dat is omgekomen tijdens de genocide in Rwanda.
Een vader houdt zijn kind vast dat is omgekomen tijdens de genocide in Rwanda. Foto David Turnley/Getty Images

Niets is nog gewoon in Rwanda. De hoofdstad Kigali is een stad zonder inwoners, iedereen is weggevlucht. Verlaten huizen met in de keukens nog de pannen op het fornuis. Voor vervoer kiezen journalisten op straat een willekeurige auto, binden draadjes onder de kap aan elkaar en starten zo de motor. Daarna rijden we de tank leeg en nemen we weer een andere wagen.

Een frontlinie verdeelt Kigali in wijken onder controle van het regeringsleger en wijken in handen van het Rwandese Patriottische Front (RPF). De Hutu-militie Interahamwe roeit met hulp van regeringssoldaten de Tutsi-bevolking uit, terwijl enkele op wraak beluste RPF-soldaten hun woede koelen op Hutu-burgers. Over de strijd tussen regeringsleger en rebellenbeweging is in de internationale media bericht. Dat het land een nog veel grotere tragedie beleeft, een genocide die rond de één miljoen levens zal kosten, is minder bekend.

Met een grote boog rijd ik om de stad heen. Bij een verlaten boerderij staart een verdwaasde hond naar een lijk, vermoedelijk van zijn baasje, in afwachting van een wederopstanding. Koeien trekken plichtmatig naar de stallen om te worden gemolken, waar geen boer op ze wacht.

Ik ben op weg naar een front bij een bier- en frisdrankenfabriek. Net als ik daar de RPF-soldaten heb gevonden, gebiedt de commandant een mortiergranaat af te vuren op de stelling van het regeringsleger ietsje verderop. Prompt volgt het antwoord. Op twintig meter afstand slaat een mortiergranaat in. Stof waait op. Ik duik met de RPF-soldaten plat op de grond. En er volgt nog een mortiergranaat, en nóg een. Kratten vol flesjes spatten uiteen. Prachtig geluid voor mijn radioreportage.

Een volgende dag neemt het RPF me mee op een tocht langs de slachtoffers van de genocide. De rode aarde, de diepgroene begroeiing, de bergen in de wolken en de dalen in de mist, de kraakheldere meren – o, wat is Rwanda mooi. Maar het schoon ligt bezaaid met de lijken, overal lijken. We draaien de raampjes dicht voor de stank.

Op het kerkterrein van Nyarubuye in Oost-Rwanda verstoort het gezoem van vliegen de sinistere stilte. Hier hebben de moordenaars van de Interahamwe enkele weken eerder toegeslagen. Ze omsingelden de kerk en nabijgelegen schoollokalen en slachtten duizenden Tutsi’s af die bescherming hadden gezocht in hun huis van God.

Op de trap van de preekstoel ligt het lichaam van een tiener. Onderaan de kansel drie vrouwen neergemaaid met kapmessen, achter het biechtbankje het lijk van een man. Jezus viel van zijn kruis, vlak bij het lichaam van een meisje. Het kost moeite niet op lijken te stappen, de grond ligt ermee bezaaid. De RPF-soldaten drukken een zakdoek tegen neus en mond. Ik moet echter een verslag inspreken voor de radio, met een stem die boven het gegons van de vliegen uit moet komen. Ik zoek naar woorden en gedachten maar bespeur geen menselijkheid meer in de rottende massa. Ik voel niets meer.

Ik doodde mijn buren uit angst dat ze mij zouden doden

Dood en ellende zijn onderhevig aan inflatie. Ik heb genoeg slachtoffers gezien. In RPF-gebied lijkt alles al gebeurd. Maar aan regeringszijde gaat het doden door. Ik wil nu naar de moordenaars. Ik reis naar West-Rwanda, naar de regeringssoldaten en de Hutu-militie Interahamwe.

De Hutu’s was aangepraat dat de Tutsi’s al maanden geleden waren begonnen met het graven van diepe holen om die te vullen met lijken. De overheidspropaganda en de haatdragende uitzendingen van het extremistische radiostation Mille Collines waren geslaagd. Deze media beeldden de Tutsi’s af als slangen, kakkerlakken of monsters met horens en staarten. Dat nepnieuws creëerde een hysterie. Rwanda, het land van de duizend leugens.

Duizenden mensen vluchten tijdens de genocide in Rwanda de grens over naar buurland Tanzania.

Foto Jeremiah Kamau/Reuters

De moordenaars lopen intussen vrij rond in West-Rwanda. Iedere dag zie ik ze bij wegversperringen staan. Ze zwaaien met hun knotsen met spijkers aan de knop. Beleefd wuiven ze naar onze auto. Op een dag stop ik om te praten met een lid van deze Interahamwe. Hij heet Jacques.

Van de eerste tot de laatste die hij doodde, Jacques heeft er geen enkele spijt van. „Weet u, het is net als met het slachten van een dier: je geeft een harde klap op het hoofd of in de nek, en plof, het lichaam zakt ineen. Iedereen doet het zo.” Jacques is nonchalant maar ook zo gewoon. Eigenlijk best een aardige gozer, denk ik als ik afscheid neem. Ik versla een massamoord begaan door een massa opgehitste moordenaars. Als er honderdduizenden daders zijn, wie is dan eigenlijk nog schuldig, vraag ik me af.

10.000 doden per dag, 417 per uur, 7 per minuut. Bijna honderd dagen lang. Tussen de 800.000 en één miljoen Rwandezen kwamen om, Tutsi’s maar ook een geschatte 100.000 Hutu’s die weigerden mee te doen. Het aantal doden als gevolg van wraakacties door het RPF werd geschat op 30.000.

Op doden valt geen nieuwe samenleving te bouwen. Een genocide maakt een normaal bestaan onmogelijk. Voor de overlevenden, voor de daders. Naarmate de genocide langer geleden is, komen voor de betrokkenen de herinneringen aan de horror dichterbij, grijpen hen bij de keel en storten hen in eenzaamheid. Ieder jaar bij de herdenking in april lopen de spanningen in Rwanda op en ervaar ik hoe diep de machetes hebben geslagen. En keren ook mijn Rwanda-dromen eventjes terug, dromen waarin ik zweef en me vastklamp aan een bloederige stomp mens.

Rwanda is nog lang niet in het reine met zichzelf. De overheid benadrukt het onrecht dat de Tutsi’s is aangedaan. Iedereen moet dat weten, het staat in het nieuwe curriculum van scholen en universiteiten. In kerken overal in het land stelt de overheid hun botten en bebloede kleren tentoon.

In die atmosfeer van kapotgeslagen schedels worden de daders berecht en heropgevoed. Tien jaar later ben ik in West-Rwanda om een verhaal te maken rond de herdenking. Ik ontmoet François als hij klaar is met het werk op zijn land en uitrust op het gras. „Ik heb verschrikkelijk veel spijt”, vertelt hij. Zijn verhaal past in het officiële verzoeningsproces. Zes jaar zat hij gevangen. Tot hij bekende en een brief stuurde waarin hij de nabestaanden van zijn vroegere buren om vergiffenis vroeg. „Ik heb ze met knuppels doodgeslagen”, zegt hij over de meisjes van acht en twaalf jaar die hij doodde. Het waren de dochters van zijn buren.

François en andere Hutu-bewoners handelden op eigen initiatief bij het vermoorden van hun Tutsi-medeburgers. „Ik doodde mijn buren uit angst dat ze mij zouden doden.” François zet een rem op de waarheid. Wat hij zegt, verklaart wellicht waarom hij doodde, niet hoe hij doodde.

Mannen werden verminkt, hun lichamen in stukjes gehakt, langzaam en met tussenpozen: eerst de rechterhand, toen de linker, daarna de rechterbovenarm, toen de linker, daarna de rechtervoet, toen de linker. Tot de beurt aan de penis was, die in de mond werd gestopt, waarna het slachtoffer doodbloedde. Wie iemand dat aandoet, moet zich oppermachtig voelen. Hij láát de ander leven en heeft volledige controle over zijn slachtoffer. Hij doodt langzaam, want als het slachtoffer sterft, is zijn macht verdwenen. Bij het martelen van kinderen werken deze wreedheden niet, zij brengen de moordenaar niet in extase. Daarom werden zij in 1994 meestal met een klap tegen de muur kapotgeslagen.

In Zuid-Rwanda ga ik een andere dag op bezoek bij Charles Serombo, een Tutsi. Een weggetje onder hoge bomen slingert naar boven en stopt bij zijn woning. Op zijn terras krijg ik de gevoelens die tijdens de genocide niet wilden komen. Pijn, verbijstering, afschuw, bewondering. Charles groef op zijn erf een massagraf. Er lagen dertig leden van zijn familie in. Hij zit er iedere dag te mijmeren. Zijn blik daalt af naar de vallei beneden en de trillende spiertjes in zijn gelaat ontspannen. Daar bij die heuvels bevinden zich andere massagraven. Dat geeft hem rust.

In zijn eenzaamheid had hij deze veranda aangebouwd, om omwonenden te lokken voor een praatje. Ze kwamen. Maar velen van hen blijken moordenaars van zijn familie. „Hoe kan ik wraak nemen,” vraagt hij mij met een onduidelijk lachje, „ik sta alleen en kan het niet opnemen tegen alle heuvels.”

Een vrouw bezwijkt langs de kant van de weg tijdens de genocide in Rwanda in 1994.

Foto Ulli Michel/Reuters

Moordenaars en slachtoffers, iedereen weet dat je moet zwijgen als je wilt leven. Nog tienduizenden moordenaars lopen onbestraft rond. En voor de misdaden begaan door het RPF geldt een spreekverbod. „Als de graven opengaan, zullen ze er zowel Hutu’s als Tutsi’s vinden”, weet Charles.

Charles en ik zitten vier uur te praten. Elk gesprek in Rwanda duurt uren. De pijn, de stiltes, het zoeken naar woorden kosten tijd. De Rwandezen zullen voorgoed leven met de dood, de gruwelen, de angst. De moordenaar en de overlevende moeten naast elkaar bestaan. We namen nog een flesje bier, dat maakte de kans op de waarheid groter.

Het laagje vernis dat we beschaving noemen, blijkt flinterdun. Soms is doden een fluitje van een cent. Misschien, heel misschien, als er toen mobiele telefonie had bestaan, was de furie niet als een bosbrand onverlet van de ene heuvel naar de andere overgeslagen. Dan was niet zo lang onbekend gebleven wat er gebeurde, hadden de Verenigde Naties onder grotere druk gestaan om krachtdadig op te treden.

Twintig jaar later versla ik in de Centraal-Afrikaanse Republiek een gewelddadige waanzin als die in 1994 in Rwanda.

Bekijk ook de fotoserie: 25 jaar na de genocide in Rwanda

Wild gebarende jonge mannen bij de hoofdstad Bangui dragen om hun nekken amuletten ter bescherming tegen kogels. Rond hen hangt een zoete geur van drank. Ze voeren een man in een bruine boxershort mee. „Papa, kijk”, wenden ze zich tot mij. „Dit is een dief en hij is tegen ons.” De lange slungelige man zijgt neer aan mijn voeten. Hij krijgt enkele trappen. Hun leider komt aanlopen, een stoere jongen met een muts van Manchester United. Met zijn zware laarzen geeft hij een paar stevige schoppen tegen de slaap van het slachtoffer. Bloed stroomt over diens hoofd. Weer iemand dood.

De jonge mannen zijn trots op zichzelf. Ze willen graag nog even voor mij op de foto. Met hun zwaaiende kapmessen. Op de achtergrond gaat een man door met houthakken en een vrouw werkt verder in haar groentetuin. Twee jongens in het gestreken uniform van de padvinderij slaan een verlegen blik op de levenloze man in onderbroek en wandelen verder. Alsof het gewoon is. Ik spreek jullie wel over 25 jaar, denk ik. Dan komt de pijn.