Ik moest mijn ware zelf terugkrijgen

Van geluk gesproken Coen Verbraak interviewt mensen over geluk. En over hoe dat naadloos verweven kan zijn met ongeluk. De geadopteerde Eke Mannink wilde haar echte naam terug.

Illustratie Martien ter Veen

Schrijfster Eke Mannink (51) moet een jaar of 4 geweest zijn toen haar ouders aan haar en haar adoptiebroertje vertelden dat zij niet hun biologische kinderen waren. „Mijn vader vertelde het op plechtige toon. Daarna mocht er niet meer over gepraat worden.” Het besef dat ze eigenlijk andere ouders had, drong pas met de jaren werkelijk tot haar door. Ze droomde en fantaseerde erover. „Ik stelde me voor wat mijn moeder voor vrouw zou zijn. Meestal zag ik haar voor me als een stadse, modieuze dame, in een boekwinkel. Ik zag altijd boeken om haar heen. Maar ik zag ook natuur: boerderijen met stromende beekjes.”

Langzaamaan kwam de behoefte om contact met haar te zoeken. Soms sprak ze erover met haar adoptiebroertje. Hij had die behoefte niet. „Want zij hebben me wel ooit weggedaan.” Ze moet 17 geweest zijn toen ze in haar adoptiepapieren haar werkelijke voornaam zag staan. Ze bleek Eke te heten, in plaats van Erika. Dat verbaasde haar niet. „Ik voelde me nooit thuis bij die naam.” Aan haar adoptieouders vertelde ze niets over haar ontdekking. Al liet ze één keer vallen dat ze eigenlijk wel op zoek wilde naar haar biologische moeder. „Dat vonden zij geen goed idee. Het zou maar oude wonden openrijten voor mijn moeder.” Op een dag bleek er een rouwadvertentie voor haar opa in de krant te staan. Zo kwam ze aan het adres van haar moeder. „Ik ben ernaartoe gegaan. Al kwam het niet in mij op om aan te bellen. Ik heb op een afstandje staan kijken.” Achteraf vindt ze het onbegrijpelijk dat ze toen geen brief voor haar moeder in de bus deed. Ze begon haar zoektocht keurig bij het FIOM, een instantie die mensen helpt zoeken naar hun biologische familie. „Daar voeren ze eerst gesprekken om te kijken of je evenwichtig genoeg bent om het proces aan te kunnen.” Pas na een half jaar ging er een officiële brief in een blanco envelop naar haar moeder. Na maanden kwam er antwoord: haar moeder stemde in met een ontmoeting. Daarna zou het contact weer verbroken moeten worden. Ze hadden afgesproken in een café. Haar moeder kwam ruim tien minuten te laat. „Dat vond ik erg. Die ene keer dat ze mij na 27 jaar zou ontmoeten had ze op tijd moeten zijn.” Het werd een bijzondere ontmoeting. „Het was zo intens. Ik voelde vertrouwdheid. Ik keek naar haar handen: dat waren mijn handen. Ik wilde twee dingen graag weten. Of ze een echte band met mijn vader had gehad. Ze vertelde dat ze twee jaar met mijn vader samen was geweest. Dat vond ik zo fijn; ik was dus uit liefde geboren. En ook of ik echt Eke heette. Ze zei: ik heb je zelf zo genoemd. Ik hoorde dat ze haar tweede dochter óók Eke had genoemd. Dat vond ik naar.” In totaal duurde de ontmoeting zeker vier uur. Ze besloten de kennismaking te laten bezinken. „Na een tijdje belde ze: ik ga het mijn kinderen vertellen. Dat deed pijn; ‘haar kinderen’, daar hoorde ik blijkbaar niet bij. Kort daarna ontmoette ik mijn halfbroer. En ik ben bij haar thuis geweest. Het was precies zo ingericht zoals ik het zou doen, tot en met het kleed, de hond en de hondenmand.

Een gewortelde boom

We zijn nog met de hele familie op vakantie geweest. Een kleurrijke, vrolijke periode. Al knaagde voortdurend het droevige besef: dit is dus wat het al die jaren óók had kunnen zijn. Mijn halfzus Eke had cassettebandjes gemaakt. Voor iedereen had ze een nummer gekozen. Voor mij was dat Een beetje van dit en een beetje van dat. Best goed gekozen omdat ik een versnipperd mens ben.” Direct na die vakantie verbrak haar moeder onverwacht het contact. „Ze vond het allemaal toch te moeilijk. Een verschrikkelijke klap voor mij.” Daarna gingen de jaren voorbij, en werd ze zelf moeder van een dochter en een zoon. „Dat was het mooiste wat me overkwam. Ik was me er toen ze zo klein waren vaak zeer bewust van hoe het geweest moest zijn toen ik zelf afgestaan werd. Maar mijn geluk overtrof mijn verdriet ruimschoots.” Op een nacht, ze was toen 41, besloot ze dat ze haar eigen naam weer terug wilde. Ze was geboren als Eke, en wilde weer Eke worden. „Als ik iemand een hand gaf en me voorstelde als ‘Erika’, voelde ik niks. Maar als ik ‘Eke’ zei, voelde ik dat ík het was. Dan viel ik echt samen met mijn naam.” Ze had zich voor vrienden Eke kunnen gaan noemen, maar ze wilde het ook officieel. „Ik wilde Eke zijn in mijn paspoort. Ik moest tot op de bodem rechtzetten wie ik nou eigenlijk was. Mijn ware zelf terugkrijgen. De geëigende motivatie is voor de rechter heel belangrijk. Want je kunt met zo’n naamsverandering natuurlijk ook je sporen uitwissen. Maar dit begreep hij helemaal.” Sinds haar 44ste is ze weer officieel Eke. Dat viel net samen met de publicatie van haar eerste dichtbundel Ik schrijf je bij me. „Het was net alsof die titel op mijn naam sloeg. Ik was zo gelukkig toen ik het eerste exemplaar vasthield, met ‘Eke Mannink’ erop. Alles viel samen. ‘Eke’ is afgeleid van ‘eik’, Een grote gewortelde boom. Zo voelde het precies: ik ben niet meer ‘een beetje van dit en een beetje van dat’, ik heb mijn wortels terug.”

Eke Mannink schreef een boek over haar adoptie: Zo stroom ik van je over.
Wilt u uw eigen verhaal over (on)geluk vertellen? Mail: hetblad@nrc.nl o.v.v. Geluk