Recensie

Recensie Boeken

Help, de schrijver ziet het niet meer zo zitten

    • Sebastiaan Kort

Annelies Verbeke ‘De auteur’ in deze novelle lijkt veel op de Vlaamse schrijfster zelf. Ze zoekt steun bij een psychiater, acht zichzelf onbegrepen, onmachtig, raadpleegt collega’s als Goethe en Thomas Mann, maar blijft toch vooral psychologiseren.

Het is een wat bedrukt boekje, de novelle Deserteren van Annelies Verbeke (1976). Mét hier en daar een opklaring, een vrolijke of geestdriftige noot waarmee de Vlaamse schrijfster de vertelling verteerbaar maakt. Zo wordt er verteld over het bezoek aan een psychiater – een buitensporig mededeelzaam man. ‘Hij heeft ook een keer heel lang gepraat over zijn ergernissen omtrent zijn buren, iets met de manier waarop ze hun huisvuil buiten zetten. In gedachten rekende ik uit dat zijn ontevredenheid over hun vuilnis me zeker twintig euro kostte.’

De verteller van de anekdote wordt door Verbeke aangeduid als ‘de auteur’; een schrijfster die veel biografische overeenkomsten met Verbeke zelf vertoont. Ze zit in de rats, ziet het schrijven niet meer zo zitten en roept de hulp in van de mensen die ze voor deskundig houdt: de schrijvers Goethe, Thomas Mann en hun personages Werther (die van het lijden) en Lotte, de jonge vrouw die Werther dééd lijden en die door Mann opnieuw werd opgevoerd in Lotte in Weimar (1939).

De therapeutische sessie die daarmee aanvangt, staat onder leiding van psychologe Elaine Aron, de auteur van een standaardwerk over hoogsensitiviteit. ‘De auteur’ is daarmee behept en ook de andere literatoren in de groep hebben er affiniteit mee. En toch heeft de auteur er moeite mee om zich in een hokje te laten stoppen. Een van de motto’s van Deserteren verraadde al flink wat verzet: ‘Whenever someone calls me oversensitive, I feel like a nose being lectured by a fart.’ Veel van het kringgesprek bestaat uit verbale touwtrekkerij tussen Aron en de auteur. Je bent wel degelijk hoogsensitief, meent zij, geef nou maar toe. Alleen, antwoordt de auteur, als je lui denkt. Want soms wel, maar soms ook niet. En vroeger vaker of minder vaak dan nu.

Wat wel evident is en ook wordt toegegeven is dat de auteur vermoeid is. Ooit zat ze bomvol vuur om het tegen de wereld op te nemen, maar daar brengt ze steeds moeilijker de energie voor op. Ze acht zichzelf onbegrepen, onbemiddeld en onmachtig, de strijder denkt steeds vaker aan ‘deserteren’, wat zoveel betekent als ermee uitscheiden. Een alternatief, in de zin van een nieuwe professie, is er nog niet. ‘Verstoppertje spelen, dat is al wat ik nog wil! En ze moeten mij niet komen zoeken! […] Ik hoef het godverdomme niet te pikken dat er op mij gescheten wordt – om het met Goethe te zeggen.’

Die Goethe en Mann kunnen hun aandacht overigens niet goed bij de psychologische sessie houden. Ze gapen wat, onderzoeken een loszittend stikseltje op hun jas en wisselen informatie uit over de notenboom in de tuin. Vermoedelijk wil Verbeke ook hiermee laten zien dat een beetje schrijver de neus ophaalt voor psychische duiding. Maar wat ook kan, en om eerlijk te zijn hoop ik daarop, is dat ze ermee duidelijk maakt dat ze heus wel weet dat goed proza hooguit maar voor een deel uit het gepsychologiseer kan bestaan waaruit Deserteren is opgetrokken. Ze weet dat de notenboom er is en ze weet dat ze hem in de toekomst weer zal moeten benoemen om het al te larmoyante te voorkomen. Want dat is het nu wel een beetje. Naar buiten, hoe naar het buiten ook is.