Breek met je calvinistische opvoeding door iets heel duurs te kopen

De aanschaf van Frank Westerman Om te breken met zijn calvinistische opvoeding wil Frank Westerman iets heel duurs kopen. Een roekeloze, onbezonnen uitgave doen. Hij beraamt een aanschaf.

Lynne Brouwer

I

Dit is het verslag van een aanschaf met voorbedachten rade. Ik heb een daad gesteld. Om de beeldspraak door te trekken: ik heb mijn aanschaf beraamd.

Ooit in Moskou kocht ik de Russische vertaling van De Aanslag. Op het omslag staat een omgevallen rijwiel op een nachtelijke straatweg, half in het schijnsel van een zoeklicht.

De auteur: Charri Moelisj.

Dwars over de rug zit een bandje met een revolver. Moezjkoj soezjet. ‘Mannenonderwerp’.

De titel: Rasplata. ‘De Afrekening’.

Ook het plegen van mijn aanschaf is een poging om af te rekenen – met iets uit het verleden.

II

Mijn plan is geboren in 2001, in Moskou. Ik had mijn correspondentschap voor deze krant opgezegd en was verhuisd naar een statig appartement aan het Taganka-plein om een boek te schrijven over kunstenaars in de Sovjettijd. Verlost van het dagelijkse Kremlin-watchen verdiepte ik me in het sociaal-realisme - en werd daar ontzettend hebberig van. Zo’n schilderij uit de Tretjakov Galerij van drie dorpskinderen die spetterend van vreugde op de toeschouwer afstormen, met als titel: Zij zagen Stalin. Wie wil dat niet hebben?

Niet lang nadat ik bij een antiquariaat tegenover Gorki Park Mulisch’ Russische Aanslag-uitgave kocht, noteerde ik in mijn ideeënschrift:

15 februari 2001. Kort verhaal. Derde persoon enkelvoud.

Oscar, dat klinkt prijzig, kan niet tot bestedingen komen. Hij heeft het geld, dat is juist het probleem, daarom hoopt het op. Hij wil geen vrek zijn – o nee. Oscar wil breken met het (spaar)milieu van zijn ouders. Puberaal verzet. Daar hoort een verzetsdaad bij. Een aanschaf.

III

Achttien jaar later. Het blad Zin – een glossy, over de vraag: hoe te leven? – interviewt me voor het kerstnummer van 2018 aan de hand van tien voorwerpen. Een daarvan is een gietijzeren beeldje van een hardloopster dat in mijn vensterbank staat. Een Sovjet-atlete, pront en sterk, billen en dijen zwaar gespierd, de kin toekomstgericht omhoog.

„Mijn calvinisme zit diep”, zo word ik geciteerd. „Ik kan moeilijk lanterfanten. Niet. (Lacht) Roekeloze, onbezonnen uitgaven doe ik nooit.”

Ik vertel dat ik mijn hardloopster in Moskou heb gekocht voor 180 dollar. Naast haar stond nog een sculptuur, even groot, van een discuswerpster. Die was mooier. De discuswerpster bewóóg, ze belichaamde zwier en souplesse. Dynamiek. Ik raakte ter plekke verliefd op haar, maar ze kostte 3.300 dollar. Dat geld had ik, ik kon het zo pinnen en in 33 briefjes van 100 neertellen, ik zou er niet één keer minder om uit eten hoeven.

Toch liet ik de discuswerpster staan en nam de hardloopster mee naar huis. Hoe laf.

En hoe on-Russisch ook. Speelde hier mijn Hollandse zuinigheid op?

Denkend aan Rusland zie ik een Tsjechoviaanse koopman die op de botermarkt de roebelbiljetten als vlinders uit zijn handen tevoorschijn tovert. Precies het tegenovergestelde, de kramp van tot vuisten samengeknepen vingers, bekruipt me als ik mijn hardloopster bekijk. Wat ik zie, is drie kilo wroeging. In ijzer gegoten spijt. Waarom is zij niet mijn discuswerpster?

IV

Begin 2018 trapte ik voor de tweede keer in dezelfde roestige spijker. Dit is wat er gebeurde:

Voor een nieuw boek over de oorsprong van homo sapiens verdiepte ik me in Eugène Dubois, een apothekerszoon uit Eijsden die als eerste ter wereld een schedel vond (in 1891, op Java) van een voorouder van ons allemaal. Dubois raakte ervan overtuigd dat hij de ‘missing link’ tussen de apen en de mens in handen had, geen mensaap maar een aapmens. Zijn 39 bladen tellende monografie, waarin hij zijn ‘Javaansche aapmens’ aan de rest van de mensheid voorstelt, bleek te koop. Op Antiqbook.com kon je haar met één klik in je winkelwagentje leggen. Terwijl ik de beschrijving las, zweefde mijn vinger rakelings boven mijn muis.

Auteur: Dubois, E.

Titel: Pithecanthropus erectus. Eine menschenähnliche Übergangsform aus Java. Batavia, Landsdrukkerij, 1894.

Uniek exemplaar van de waarlijk eerste editie van dit baanbrekende werk op het gebied van de menselijke evolutie, zijnde het eerste onomstreden bewijs van ‘de ontbrekende schakel’, een mensensoort beduidend ouder en primitiever dan Homo sapiens.

Aanbieder: Antiquariaat Schierenberg.

Prijs: 15.400 euro

Het ging om een eerste druk voorzien van een handgeschreven opdracht: Met broederlijken groet van den schrijver. Vermoedelijk het exemplaar dat Eugène destijds aan een van zijn broers, Victor of Jean, had geschonken. Ik vergewiste me ervan dat deze titel bij geen enkele andere antiquair werd aangeboden. Terwijl ik aan het speuren was, trof ik het volgende aan: Neue Pithecanthropus-Funde (1936-1938). G. H. R. Von Koenigswald. Batavia. Landsdrukkerij, 1940. Ook een fantastisch werk! Een halve eeuw na Dubois vond diens opvolger Ralph von Koenigswald een tweede en een derde schedel van Javaanse aapmensen. De glans van de primeur was er af, maar toch.

Prijs: 115 euro.

Ik klikte en schafte opnieuw een hardloopster aan.

Ditmaal echter greep het cyberuniversum in, en wel per omgaande, met een automatisch gegenereerde melding: This item is no longer available.

Lynne Brouwer

V

Heb ik medeplichtigen?

Ik heb in ieder geval hulp gekregen. Om te beginnen van mijn zus, die beeldend kunstenaar is.

„Verkooptentoonstelling”, appte ze me op een zondag in september 2018.

Er volgde een foto van een Escher in een lijst aan de muur. Niet zomaar een Escher, maar de steendruk Ontmoeting: een wonderlijke cirkelgang van mensachtigen, de een wit, de ander zwart, die uit elkaar voortkomen (evolueren?) en elkaar uiteindelijk ontmoeten. De engel in ons die zijn duistere, kruiperige ik de hand schudt. Zoiets. Gemaakt tijdens de bezetting, in 1944.

Uitgerekend op deze Escher was mijn oog gevallen toen ik een omslagbeeld zocht voor mijn boek Wij, de mens, waarin de Javaansche aapmens van Eugène Dubois een sleutelrol vervult.

„Had ’m bijna voor je gekocht :-)”

Dit berichtje kwam een minuut na de eerste binnen, om 16.04. Op een tweede fotootje met dezelfde tijdcode staat:

M.C. Escher (1898-1972)

Encouter/Ontmoeting

Lithography

342 x 464 mm / May 1944

prijs € 22.000

„Haha !!!”, appte ik terug. „En dan gewoon een printje toch zeker?” (16.09)

„Nee, de echte…” (17.10)

„Niet!? Waar?” (17.27)

„Jep, galerie uit Utrecht. Bood ’m te koop aan op expositie in museum Belvédère.” (18.11)

„Bood? Of biedt?” (18.24) „…enne: bij die andere van € 24.000 staat #21 in een oplage van 30 – waarom staat zoiets niet ook bij deze?” (18.25)

„Weet ik niet – sowieso een heel bedrag :-) hij had wel tien Eschers” (18.28)

„Had? Als in: nu niet meer?” (18.29)

„Ze zijn in de verkoop; dat ze nou als zoete broodjes uit zijn ruimte vlogen, ach, nou nee” (18.47)

Het volgende moment verscheen er een vignet op mijn telefoonscherm, een digitaal visitekaartje.

Frank Welkenhuysen - Kunstgalerie & Kunstmakelaardij. Gespecialiseerd in M.C. Escher.

Mijn zus vuurde nog een salvo berichtjes af. Ik kwam er niet meer tussen.

„Ik dacht al die ken ik” (18.50)

„Hij is van Kunst & Kitsch denk ik…” (18.50)

„Liet hem je aanstaande boekcover zien” (18.50)

„Had zo te zien nog nooit van je gehoord” (18.50)

„Was iig zeer underimpressed.” (18.51)

Denk aan die superchille vakantie die we zouden kunnen hebben

VI

Om mijn te lang uitgestelde daad ten uitvoer te brengen hoefde ik me niet eerst te vermommen. Anders dan Maarten ’t Hart, die pas in staat was tot het doen van frivole uitgaven toen hij zich in een jurk hees en zich voor even Maartje ’t Hart voelde, had ik geen behoefte aan een pruik of een bivakmuts of enig andere uitdossing. Ik zou die Escher ridderlijk aanschaffen, met open vizier. Na twee mislukte pogingen moest ik een voorbeeld nemen aan Sint-Joris, die de draak met één stoot aan zijn lans rijgt.

VII

Amsterdam, 31 oktober 2018

Geachte mevrouw Y.

Heel graag zou ik u een paar vragen willen stellen over het kopen van kunst. […] Om kort te gaan: ik heb een werk op het oog met een prijs in de categorie van een nieuwe auto (ik bezit zelf geen auto, maar dat is een ander verhaal).

Mevrouw Y. was me aangeraden, haast uit therapeutisch oogmerk, door de interviewster van het blad Zin, aan wie ik mijn preutsheid in de omgang met geld had opgebiecht. Zij kende mevrouw Y. als een ervaringsdeskundige die astronomische bedragen pleegt uit te geven aan kunst. Miljoenen. Ze deed dit niet voor zichzelf, maar voor een verzamelaar. Niet met haar eigen geld, maar met het zijne.

Meer dan om de aanschaf van het beoogde kunstwerk op zich, gaat het mij erom dat ik wil breken met mijn moeizame verhouding tot geld. Daartoe moet ik iets duurs aanschaffen waar ik niets aan heb. Nu ik mij dit financieel kan permitteren, deins ik er telkens toch voor terug.

Mocht u bereid zijn mij – op basis van vertrouwelijkheid en anonimiteit – te woord te staan, dan houd ik mij van harte aanbevolen.

VIII

Een van mijn guilty pleasures is het beklimmen van belachelijk hoge torens. ‘Der Alex’, in Berlijn. Diens grote broer in Moskou, de Ostankino. Het Empire State Building. Ik ben er trots op dat ik op het dak van het World Trade Center heb gestaan.

Ooit in Toronto liet ik me omhoog katapulteren naar de draaiende uitbouw van de CN Tower, op 350 meter boven het aardoppervlak. Er is daar een glazen vloer die de mensheid in tweeën verdeelt: zij die op die doorzichtige plaat durven te stappen (en stampen), en zij die aan de zijlijn blijven staan. Ik behoor tot de stampers, maar dat ik in een ander opzicht een schijterd ben, bleek later in Dubai aan de voet van de Burj Khalifa. Als door een magneet aangetrokken nam ik de zweeftram naar de boven het woestijnstof uit priemende kolos. Eenmaal in de rij bij de kassa bleek dat je, om het hemeldek te bezoeken, minstens drie dagen van tevoren een tijdslot had moeten boeken. Je kon dan voor 30 euro naar boven, maar nu zaten alle liftkooien vol. Tenzij.

Tenzij je het vijfvoudige betaalde. Voor dit ‘immediate admission’-tarief (145 euro) gold geen wachtrij.

Uren heb ik door de moeder aller malls gedoold, ben zelfs nog een keer teruggegaan naar de lanceerplek, maar heb het niet gedaan. Sindsdien bezie ik de ranke, 828 meter hoge Burj Khalifa als een baken dat is opgericht om mij te herinneren aan mijn kleingeestigheid.

Lynne Brouwer

IX

Tussen de Hortus Botanicus en Artis doet Amsterdam denken aan Parijs. Alsof ze door de Jardin des Plantes komt aangelopen, zo steekt mevrouw Y. het herfstpleintje over naar restaurant De Plantage.

Ze gaat gekleed in zorgvuldig zwart. Onder haar muts halflange haren, niet grijs maar geverfd. Zilveren ringen en armbanden, geen goud. De vertebril gaat af.

„Verzamelaars hebben geld, maar geen geduld”, zegt mevrouw Y. over haar buitenissige, beroepsmatige spendeergedrag. „Bij mij is het andersom. Daarom huren ze mij in.”

De deal is: geen namen, geen rugnummers. Ik verneem dat kunstverzamelaars grote kinderen zijn: ze zien iets en willen het hebben, nu meteen. „Daarom neem ik ze nooit mee naar beurzen en veilingen.” De aanbieders van kunst zijn aal- en aalglad. „Ik ken er een, die verkocht vroeger bloemen. Als je bij hem naar binnen gaat, kom je geheid met iets duurs naar buiten.”

Ik noem Frank Welkenhuysen uit Utrecht. Mevrouw Y. bestudeert diens visitekaartje. „Nooit van gehoord.”

„Hij is taxateur bij Tussen Kunst & Kitsch”, zeg ik. „Al twintig jaar.” Bestaan er Mozart-liefhebbers die nog nooit van André Rieu hebben gehoord?

„Laat hem niet merken dat je geïnteresseerd bent in die Escher. Dat is voor een kunsthandelaar meteen beet.”

Maar hoe doe ik dat?

Argeloos zijn galerie binnenlopen en zeggen: „Goh, ik zocht eigenlijk een lijstenmaker, maar uhh, wat hier hangt is dus echt?”

Mevrouw Y. laat haar stem dalen. „Ze proeven het, ze zien het, ze ruiken het.”

„Wat?”

„Dat je die Escher wilt.”

„En dan?”

„Dan praten ze je erin.”

„Dus?”

„Doe onderzoek en stel vragen.”

Onderzoek doen en vragen stellen, daar ben ik mee bezig. Maintenant. Ici. Ik wil goed beslagen ten ijs komen, maar tegelijk ben ik bezig met soul searching. Welke remming moet ik overwinnen om met geld te kunnen smijten? Waar zit mijn blokkade, en is die fysiek? Moet ik eerst oefenen met het stukgooien van een servies?

„10 Procent korting kun je sowieso bedingen.” Mevrouw Y. rekent hardop voor: 22.000 moet onder de 20.000 uit kunnen komen. Ik zie mij al snoeihard onderhandelen, terwijl ik uit ben op een ondoordachte, bevrijdende uitgave.

„Rijke mannen zijn altijd bezig met korting. Hoe rijker, hoe meer korting ze willen.”

„Mannen?”

„Ja, vooral Aziaten tegenwoordig.”

Ik vraag haar wat ze voor hen heeft kunnen doen – wat zijn haar grootste triomfen?

„Ik heb tien jaar geleden een Marlene Dumas gekocht voor 350.000 euro. Die is nu 2,5 miljoen waard.” Een nog grotere klapper maakte ze, verhoudingsgewijs, met de aanschaf van „een jonge Roemeen” voor 10.000 euro – die nu het zeventigvoudige waard is: 700.000 euro.

Mij lijkt dit wrang. Of profiteert ze een procentje mee bij zo’n waarde-explosie?

Het antwoord is nee, ze krijgt een uurtarief.

„Maar als er zich een buitenkans voordoet, heeft u dan nooit de aanvechting het voor uzelf te kopen?”

Wacht. Dit steegje wil ik niet in. Ik wil me lichter voelen, vrijer, vrolijker, ontdaan van ballast. Oké, in ruil voor iets moois. Maar nu gaat het over winst maken, je slag slaan, binnenlopen.

„Daar ben ik te behoudend voor”, zegt ze.

„…”

„Te gereformeerd.”

Zij dus ook. En dan niet in kerkelijke zin. Ik ben hervormd, mevrouw Y. gereformeerd. Van binnen dan, want uiterlijk is er niets aan de hand. Zie ons hier eens mondain zitten zijn.

„Ik ga dan toch twijfelen”, zegt mevrouw Y. „Twee op de vijf kunstenaars gaan aan de drugs en sterven jong, daar hoor je nooit meer iets van.”

Het is de beeldenstorm. We danken onze schroomvalligheid aan Luther en zijn volgelingen – en dan niet de zwoele, gepassioneerde gospelbeweging van Martin Luther King, maar die van Maarten Luther, de Duitser. Die hele Reformatie is als een trein over ons heengedenderd en nu zitten we ons hier aan schoonheid te vergapen met de hand op de knip.

Dan stelt mevrouw Y. een vraag aan mij. „Wat wil je met die Escher doen eigenlijk?”

„Ophangen”, zeg ik. „Bewonderen.”

De stilte die ze laat vallen loopt langzaam vol met ongeloof van mijn kant: „Ik hoef dan toch zeker geen nieuwe sloten op de deur te zetten?”

„Je kunt het verzekeren. Er bestaan ook van die ophangingen zodat ze de lijst niet van de muur kunnen halen.”

Dit is niet waar ik op uit ben. Ik wil ramen opzetten, niet de luiken dichtklappen en mij terugtrekken in een donker hol met mijn nieuw verworven bezit.

„Nou ja, dat hoeft eigenlijk ook niet. ’T is geen Karel Appel van een miljoen.”

Vlak voor ze vertrekt, gehandschoend tegen de herfst, vertelt ze dat ze toch ook zelf kunst heeft gekocht, ooit. Een aquarel van Marlene Dumas. „Maar die heb ik verkocht toen ik ging scheiden. Ik had het geld nodig.”

Buiten onder de platanen, tussen de bakfietsen van de Artis-bezoekers, voegt mevrouw Y. nog twee woorden toe aan die ontboezeming. „Spijt van.”

Christo is van 1935. Hij gaat dood en dan is dit werk zo 60.000 waard

X

„Papa, oprecht, doe het niet.” Onder scholieren is ‘oprecht’ hét buzzword van het moment. „Denk aan die superchille vakantie die we zouden kunnen hebben.”

Mijn dochter was met me mee geweest op researchreis naar Indonesië voor mijn schedelboek, dat was inderdaad heel chill. Ik beloof haar dat we niet minder ver of vaak op vakantie zullen gaan. „En jij geeft toch ook veel uit aan concerten. Demi Lovato, Ed Sheeran, Ariana Grande, wat kost dat wel niet? Hoe lang moet je daarvoor werken?”

Zonder uit te rekenen hoeveel kassa-uren ze moest maken voor een optreden van twee uur in Afas Live komt ze met een twist: „Het is het gewoon niet waard. Misschien wel in die wereld, maar niet in de onze.”

Dit was raak. Touché, heet dat in die andere wereld.

Mijn dochter was nog niet klaar met me. „Je kunt net zo goed een poster kopen. Alleen een kenner ziet misschien een verschil, en je bent niet eens bevriend met iemand die er verstand van heeft.”

Zestien was ze nu. Zestieneneenhalf.

„Een reden om het toch te doen zou zijn: precies wat jij nu zegt en wat opa en oma ook zouden zeggen.”

Voor het eerst waren onze rollen omgedraaid. Niet zij, maar ik hing de puber uit.

XI

Op mijn jongenskamer had ik vroeger Waterval van Escher boven mijn bed hangen. Om eindeloos naar te kijken. Wat je ziet is een open gebouw van drie verdiepingen, onderling verbonden door een stenen goot waarin het water zigzaggend omhoog lijkt te stromen, in beweging gehouden door een rad dat wordt aangedreven door datzelfde water.

Tal van webshops bieden Waterval aan voor 10 euro plus verzendkosten, evenals Ontmoeting. Waarom neem ik geen genoegen met een poster? Sta ik werkelijk op het punt het tweeduizendvoudige uit te geven aan een origineel? Niet eens aan hét origineel, want Escher heeft van zijn steendruk honderden afdrukken gemaakt die allemaal als origineel gelden. Op de miljoenen reproducties die dáárvan zijn gemaakt ontbreekt het minuscule laagje grafiet van Eschers handtekening: welbeschouwd betaal je 20.000 euro voor een potloodkrabbel. Het lukt me niet om mijn ratio uit te schakelen. Kennelijk moet ik mijn aankoop doen met mijn reptielenbrein, vanuit een primaire lust. Even vliegensvlug mijn tong uitrollen en raak. Hap. Dit gaat niet over afwegingen of calculaties. Mijn dochter loopt tenslotte ook op originele Nike’s (hoezo origineel?) van 98 euro (mét logo) – en niet op Bulgaarse namaak. Ook ik verkies instinctmatig echt boven Ersatz. Maar wat als je geen enkel verschil kunt zien? Bij de grafiek van Escher schijnt dat het geval te zijn: zelfs de suppoosten in het Escher-museum in Den Haag kunnen de bezoeker niet vertellen welke prenten authentiek zijn, en welke niet.

Ik heb de proef op de som genomen. Op zondag 11 november stapte ik dit voormalige winterpaleis van de Oranjes binnen. ‘Escher in het Paleis’ aan het Lange Voorhout is de ground zero voor alles wat met het werk en de nalatenschap van de in Leeuwarden geboren Maurits Cornelis Escher te maken heeft. Depot, archief, expositie.

In mijn tas, die ik moet afgeven, zit een krantenartikel van september 2015. ‘Museum Escher misleidt bezoekers met kopieën.’ Uit de lead: ‘Voor bezoekers staat niet aangegeven welke werken echt zijn, en welke niet. Ook het personeel kan dit niet vertellen.’

In een hoek op de tweede verdieping vind ik Ontmoeting. Mijn hart springt op, wat is-ie mooi. Hallucinant gewoon. Die rondgang, de metamorfose, het treffen. Er wellen herinneringen op aan mijn studententijd, aan quasi-filosofische gesprekken in de kroeg, aan Gödel, Escher, Bach, het boek van een kilo waarmee we dweepten, en waarvan we hooguit een onsje begrepen.

„Is dit een echte of een kopie?” vraag ik aan een bewaakster in een mosgroen vest.

Haar antwoord is correct én ingestudeerd: we weten het niet/ongeveer de helft van wat hier hangt is echt/de rest zijn kopieën die het origineel vervangen omdat het uitgeleend is, of in restauratie.

„Maar deze specifieke?”

„Dat zou ik alleen kunnen zien door het werk om te draaien”, zegt de suppoost. „Als er op de achterkant een stempel staat, dan is dit een echte.”

Zo. Alsof dit niet ook hallucinant is. Als zelfs een medewerkster van Escher in het Paleis op het oog geen valse van een echte kan onderscheiden, op wie kan ik dan straks nog indruk maken met mijn aanschaf? Opnieuw die kortsluiting in mijn hoofd, al weet ik dat ik zo niet moet denken. Ik moet helemaal niet denken, net als bij de liefde.

De suppoost blijkt een vrijwilligster, maar wel iemand die dit werk al tien jaar doet. Ik vertel haar dat ik een origineel exemplaar van Ontmoeting wil aanschaffen, dat momenteel door een galerie in Utrecht wordt aangeboden.

„Oh, niet te veel voor betalen hoor!” Deed ze daarnet nog afstandelijk, nu legt ze een hand op mijn onderarm. „Laatst kwam er nog een voorbij in Tussen Kunst & Kitsch. Die werd getaxeerd op 10.000 euro.”

Ontmoeting?”

„Nee, Drie werelden. Maar die is ongeveer even zeldzaam. En wij hebben ze allebei ook in onze museumshop hoor. Hier beneden kosten ze 12,50 euro.”

XII

Over ‘het nut van brassen’ schreef Simon Carmiggelt ooit een cursiefje. Daarin merkt hij op in zijn leven ‘erg veel geld te hebben verbrast aan drank, feesten en overdreven maaltijden in etablissementen waar je om de minuut een schoon asbakje krijgt van een jongeman in rok, die daar speciaal voor is.’ Hij stelt vast: ‘Nee, ik heb geen spijt van mijn vermorste, weggesmeten geld.’ Waarom niet? ‘Overdadig brassen heeft, los van het plezier dat het soms meebracht, het onmiskenbaar nut dat het je leert om, als het moet, tevreden te zijn met een sober leven.’

Ik lees het en denk: nee, dat is niet waarom ik een bak geld wil uitgeven. In de kroeg geef ik graag rondjes en een (te) dure wijn heeft voor mij nooit een zure afdronk.

Wil ik indruk maken? („Mama kijk, zonder handen!”) Oprecht, ik geloof niet dat ik iets zoek om mee te pronken of te pochen.

Evenmin wil ik me ontdoen van werelds bezit om sober te kunnen leven – zoals de oude graaf Tolstoi die blootsvoets zijn landgoed Jasnaja Poljana verliet.

En al heb ik als man van 54 de schijn tegen, het is ook geen midlife crisis. Een Escher is geen Harley, geen zeiltocht over de Atlantische Oceaan, geen minnares.

Lynne Brouwer

XIII

Bij een aanschaf hoort een motief. Mijn zus voelde het mijne moeiteloos aan; toch kostte het ons moeite er de vinger op te leggen. Onze benepen omgang met geld voerde in geen geval terug op onze grootouders van moeders kant. Zij waren middenstanders (hij slager, zij winkeliersdochter) uit een dorp onder Rotterdam, behept met een Hollandse handelsgeest. Los van elkaar kochten en verkochten ze aandelen.

„Generáál electric”, zei oma dan. Opa had de zijne op een gunstig moment verkocht; zij hield de hare nog vast – de beursnotering zou nog verder stijgen.

„Weet je nog”, zei ik, „dat we elk een envelop van ze kregen met vijf briefjes van honderd erin?”

Mijn zus trakteerde me, bij wijze van verjaarscadeau, op een lunch in De Prinsenhof in Groningen – niet bepaald een gierig gebaar.

„Opa had het huis van de buren opgekocht en met winst doorverkocht”, zei ze.

„Oma droeg vósjes.”

We hadden die 500 piek nooit aangesproken; het was spaargeld en het ging regelrecht naar onze Zilvervloot-rekening. Sparen, spaarzaamheid, geld was er om op te potten, voor later. Maar later was onderhand nu.

We roerden de geroosterde pijnboompitten door onze pompoensoep. Achter ons viel een kapstok om, tegen een kast met een lege vissenkom. Als in slow motion zag ik het glaswerk uiteenspatten op de tegelvloer.

Na het overlijden van onze grootouders was de slagerij verkocht. Een prachtig negentiende-eeuws pand aan ‘de vliet’ van Oud-Beijerland. Twee verkoopmakelaars deden een taxatie; het verschil liep in de tienduizenden euro’s. Onze ouders verkochten het familiebezit voor de láge vraagprijs.

„We willen niet als graaiers te boek staan in het dorp”, gaf onze moeder als uitleg. Terwijl ze er al vijftig jaar niet meer woonden! In de wederopbouwjaren waren ze uit Zuid-Holland vertrokken vanwege de olie van Schoonebeek; mijn zus en ik brachten onze jeugd door in Emmen en Assen. In de kast stond een welkomstgeschenk, Het Drentse volkskarakter, een inburgeringsboekje met daarin het gezegde: Het staat niet goed als een varken zulke grote oren heeft.

Door zich te voegen naar de mores van de schrale zandgronden waren ze in de gemeenschap opgegaan. Nooit opzichtig doen, en zeker niet poenerig. Gevoeglijk diende je door het leven te gaan, oppassend. Zonder kapsones, zonder escapades. Het laatste wat je deed was ‘aanstoot geven’. Als peper- en zoutvlinders hadden onze ouders de schutkleur van de Drentse bossen aangenomen. De katholieken in het zuiden zetten een masker op, ze hosten en knepen de kat in het donker. In het protestantse grondsop waarin wij opgroeiden, gold het niet uit de band springen als lovenswaardig. Mijn zus wilde naar de kunstacademie, Minerva, maar koos aanvankelijk onder druk van alles en iedereen voor diëtetiek.

Uiteindelijk waren we allebei op ons achttiende Drenthe ontvlucht, zij naar het noorden, ik naar het zuiden. Haar afschuw van de provinciale knijperigheid bereikte een hoogtepunt tijdens de zondagse collecte in de kerk. Sommige gelovigen wierpen in plaats van kwartjes bónnetjes in de paarsfluwelen zakjes: strippen ter waarde van een kwartje, die je in stroken van veertig tegelijk kocht, zodat ze aftrekbaar waren voor de belasting.

„Als gift.” Mijn zus rilde ervan, alsof ze zojuist een hap van iets smerigs had genomen.

Ik vroeg haar of ze er iets aan over had gehouden.

„Niet dat ik eronder lijd of zo”, zei ze. „Maar die kunsthandelaar van die Eschers, die zág gewoon aan me dat ik geen 22.000 euro zou gaan uitgeven. Hij wendde zich haast fysiek van me af.”

XIV

Zoals bekend maken Belgen Nederlander-moppen.

‘Wie heeft het koperdraad uitgevonden?’

‘Twee Hollanders die vochten om een cent.’

Veel van onze klanten kopen met hun oren

XV

Eind november tijdens de Amsterdam Art Week laat ik me als een peillood onderdompelen in de wulpse wereld van de kunsthandel. In de Westergasfabriek houdt Christie’s haar halfjaarlijks veiling van Post-War & Contemporary Art. Bij de bezichtiging tref ik de Vlaamse kunsthandelaar Michael De Zutter, uit Knokke. Met zijn winterjas nog aan, catalogus onder de arm, stapt hij op soepele puntschoenen langs de schilderijen die over een paar uur onder de hamer komen.

„Vanavond begint de battle”, zegt hij. „Er zijn drie stukken van Karel Appel die zelden op de markt komen. Die gaan weg voor het dubbele van de startprijs.”

De Zutter wijdt me in. Verwacht geen volle zaal; hijzelf zal niet tegen de achterwand geleund schielijk zijn pen opsteken bij iedere bieding, dat doet niemand nog. De Zutter belt zijn bod door, of tikt het online in.

Ikzelf ben weg van een collage in plexiglas van de Bulgaarse ‘eilandjesinpakker’ Christo. „Dit is een na-studie uit 1983”, vertelt De Zutter. „Een eindwerk.” Gemaakt van een landkaart en de originele repen textiel waarmee Christo een handvol eilandjes in een baai bij Miami ‘omkranste’ in reusachtige lappen roze kunststof.

„Leeft Christo nog?”

„Dat is het hem nou juist. Hij is stokoud.”

„Ik vind dit schitterend”, zeg ik.

„Het is een topinvestering”, zegt De Zutter. „Hij opent op 23.000 en springt dan naar 32.000. Als je biedt en er gaat verder niemand mee, heb je hem voor dat bedrag. Plus opgeld, dus dat kost je 40.000 euro.”

Op de gewone markt mag je gulden een daalder waard zijn, op de kunstmarkt is dat kennelijk andersom.

„Oh nee hoor. Christo is van 1935. Hij gaat dood en dan is dit werk zo 60.000 waard.”

XVI

’s Avonds bij de veiling neem ik plaats tussen vierentwintig andere gulzigen. We worden geflankeerd door twee rijen telefonische bieders (jonge vrouwen in joggingbroek, mét parelkettingen). Veilingmeester Arno Verkade beklimt het preekgestoelte, een houten kansel compleet met een trapje, maar dan voor een koopman.

Recht achter hem hangt La Fleur et les oiseaux van Karel Appel, cataloguswaarde 250.000 tot 350.000 euro.

„Een harde jongen, die Arno”, hoor ik achter me.

„Ken je hem?” vraagt een andere mannenstem.

„Ik heb nog met hem gestudeerd.”

Ik draai me om en maak me kenbaar als verslaggever; vanaf dat moment krijg ik live commentaar van twee vijftigers, de een gehuld in een kameelharen jas, zuigend aan een e-sigaret, de ander achteroverleunend met een boeddhistische-monniksjaal over zijn schouder.

„Zou iemand in deze zaal die Appel mooi vinden?” Ik herken de zangerige stem van de boeddhist.

Als een hageprediker beweegt veilingmeester Verkade zijn bovenlijf lenig heen en weer. „The hammer is up at 115.000”, zegt hij. „I see strong bidding. It’s with Zoey now. Who will give me one-twenty?

Bij kavel 2, een collage van een zeilschip van de Deense kunstenaar Tal R, slaat de roker toe. Met zijn pijpje biedt hij op het openingsbedrag van 28.000. Eenmaal, andermaal. Er gaat verder niemand mee.

Ik feliciteer hem en vraag: „Hoe ver was je gegaan?”

„Zeg ik niet.”

„Het dubbele?”

„Nee.”

„Tien mille extra?”

„Mogelijk. Maar dit is echt heel goedkoop.”

Mijn wangen gloeien. De hele ambiance ervaar ik als opwindend. Ik wil meebieden, maar dat voelt als verraad aan Escher. Als overspel. Zo makkelijk mag ik me niet laten verleiden, ik ben Eva niet. En op welk ‘lot’ zou ik moeten inzetten? Meneer De Zutter wil die Christo ook hebben, hij zit ergens op een hotelkamer achter zijn computer, ik kan bezwaarlijk tegen hem op bieden.

Achter mij valt de man met monniksjaal voor „de kleine Corneille” – hij belt ter plekke zijn echtgenoot. „Hij is echt énig”, hoor ik hem zeggen. „Wat denk je. Proberen?”

Kavel 30 opent op 11.000 euro.

„Ieder de helft, oké? Zal ik bieden? O, hij is nu 13.000. Ik durf niet!”

Om een reusachtig doek van Georg Baselitz wordt om het hardst gestreden door Elvira, Pauline, June en Zoey – het doek gaat van 100.000 in veertien sprongen naar het drievoudige. Ik zie pokerfaces, maar ook spanning. Een van de biedsters haakt telkens een losvallende haarlok achter haar oor. Ze maken elkaar af.

The hammer is up at 320.000…” De paardenogen van veilingmeester Verkade schieten nog één keer de rijen achter de telefoons af.

Ven-du”, fluistert de zangstem achter me. Gevolgd door een donker commentaar: „Voor dit soort bieders heeft geld geen enkele waarde meer.”

Even later volgt kavel 34, de bloem en de vogels. Tegen de verwachting in komt deze Appel niet voorbij het openingsbod van een kwart miljoen euro, wat inhoudt dat de koper er inclusief opgeld 307.500 voor neertelt.

Kennelijk een koopje.

Hier ter plekke toeslaan moet voelen als iets stouts.

Christie’s zet in een paar uur tijd 8.078.500 euro om.

Lynne Brouwer

XVII

Voor zijn kinderen en kleinkinderen timmerde mijn vader spaarpotten: grenen kistjes met een gleuf en een kantelmechaniek zodat de muntstukken er niet uit kunnen vallen als je ze ondersteboven houdt. Altijd deed hij de financiën, met de hand, maar sinds kort heb ik die taak van hem overgenomen.

Ik zit aan de eettafel in Assen-over-het-spoor met een enorme stapel ‘bedelbrieven’. Mijn ouders zijn gul en vrijgevig als het om liefdadigheid gaat, maar de decemberpost is hen boven het hoofd gegroeid. Unicef. Solidaridad, Save the Children, Wereldnatuurfonds, Leprabestrijding, Mensen in Nood, Kerk in Actie. Een voor een vul ik de bedragen in die mijn moeder roept, waarop zij haar handtekening zet.

Ik zwijg over de opwinding die me ten deel viel bij Christie’s, maar begin wel over de Escher die ik ga aanschaffen, en de wroeging die ik voel als ik mijn Sovjet-hardloopster bezie.

„Daar wen je wel aan”, zegt mijn moeder.

„Nee”, zeg ik. „Het wordt juist met de jaren erger.”

Haar gerimpelde vingers schuiven een stapeltje acceptgiro’s in een antwoordenvelop. „Het klopt toch dat je geen pensioen hebt?”

Ik zeg dat ik een ‘oudedagsreserve’ aanleg, althans op papier, een hele berg appels voor de dorst.

„Je vader is 89. Jij hoopt toch ook 89 te worden?”

„Mama, een Escher verliest zijn waarde niet, het is heus geen weggegooid geld.” Ze hoort me niet, of is gewoon niet onder de indruk.

„Je dochter wil straks toch gaan studeren?”

„Ze heeft een goed gevulde spaarpot.”

Dan, een envelop dicht likkend, zegt mijn moeder: „Ik wil er niet aan denken, maar stel: je wordt ziek. Heb jij een arbeidsongeschiktheidsverzekering?”

XVIII

Inmiddels ken ik de marktwaarde van de aangeboden Escher. Een expert van Christie’s heeft me die na afloop van de najaarsveiling ingefluisterd.

„Fout gezien”, zei ze, „de kunsthandel draait niet om kunst, maar om geld.” Veilinghuizen als Christie’s en Sotheby’s leefden niet zozeer van oude meesters of hedendaagse hypes, maar van de drie D’s: Debt, Divorce, Death.

„Veel van onze klanten kopen met hun oren”, vervolgde ze. „Ze gaan af op wat ze horen: ‘Wist je dat die en die een expositie krijgt in het MoMa?’”

Ik kreeg gratis college. „Is kunst kopen een goede investering?” Niet ik, maar zij wierp de vraag op – als het stokje van een majorette dat ze vervolgens zelf opving: „Ik denk van niet. Voor werken van jonge kunstenaars in de prijsklasse van een nieuwe auto geldt doorgaans hetzelfde als voor die auto: zodra je hem de showroom uitrijdt is-ie een kwart minder waard.”

Terwijl ze de catalogus met het oeuvre van Escher erbij pakte, voelde ik mijn begeerte wegebben. Was het de instant waardedaling die het me zwaar te moede maakte? Vreesde ik de fiscus nog vóór ik een winnend eindejaarslot had? Er volgde een opsomming van zaken waar ik op moest letten. Het gebruikte papier: daar hoorde het watermerk ‘Holland’ in te staan. De marges: die mochten niet zijn bijgesneden. De verkleuring: te geel was niet goed, te bleek kon erop duiden dat-ie „in bad was geweest”.

Dan de prijs. Ik vertelde dat ik de uitzending had teruggekeken waarin Frank Welkenhuysen de litho Drie werelden op 10.000 euro taxeert.

De Christie’s-expert scrollde op haar telefoon door de verkoopgeschiedenis. Zoals een makelaar toegang heeft tot het kadaster, zo toverde zij een dozijn veilingprijzen uit New York, Londen en Amsterdam tevoorschijn. Exemplaren van Ontmoeting bleken elk jaar wel een keer of twee op te duiken, en ze waren de afgelopen decennia duurder geworden. Tegenwoordig brachten ze 10.000 tot 12.000 euro op, met een enkele uitschieter naar 15.000.

„Dus die taxatie is zo gek nog niet”, zei de veilingmedewerkster.

„Maar zelf vraagt hij 22.000!” Ik was bereid mijn pil te slikken, maar waarom moest-ie zo bitter smaken? Het dubbele vragen, wat een brutaliteit!

Mijn gesprekspartner bleef er onbewogen onder. „Wij zien dat de handel doorgaans een marge hanteert van 100 procent.” Ze keek op van haar telefoon en vroeg: „Weet je zeker dat die Escher niet al is verkocht?”

XIX

Zinnend op een list fiets ik door het Amsterdamse Spiegelkwartier. Hier tegenover het Rijksmuseum kun je in elke winkel een aanschaf van tienduizenden euro’s plegen. Ik kom voorbij etalages met Japanse theeserviezen, porseleinen tijgers, Delfts blauwe klokken. Antiquariaat Schierenberg aan de Prinsengracht 827 blijkt niet alleen te handelen in oude boeken maar ook in… Eschers. Ik stap er binnen en word verwelkomd door zestien ingelijste Eschers.

Het blijkt te gaan om ‘prints van museumkwaliteit in een genummerde oplage met een waarmerkstempel van de M.C. Escher Foundation’. Prijs: 295 euro (per stuk).

Dus zo simpel dient zich de oplossing aan. Koop ik ze alle zestien. Strik erom. Ben ik, even rekenen, 4.720 euro armer. Thuis laten bezorgen en klaar. Maar waar moet ik ze laten? Heb ik wel genoeg muur? Net op tijd dringt het tot me door dat ik op het punt sta een gigantische miskoop te begaan. Nee, nee, nee – géén tussenoplossing, géén halve maatregel, géén compro-fucking-mis.

Weet je zeker dat die Escher niet al is verkocht?

XX

Rest mij niets anders dan de gang naar Utrecht, naar galerie Welkenhuysen, onder de Dom. Godzijdank is Encounter/Ontmoeting nog niet van de website gehaald, al kan ik de prijsopgaaf nergens vinden. Terwijl ik aan het zoeken ben, schiet me iets anders te binnen: Antiquariaat Schierenberg – is dat niet de aanbieder van de monografie van Eugène Dubois uit 1894, voor 15.400 euro?

Ik tik twee trefwoorden in en verdomd: Pithecanthropus erectus. Eine menschenähnliche Übergangsform aus Java. Batavia, Landsdrukkerij, 1894. De beschrijving is ongewijzigd, ook het catalogusnummer is identiek. Alleen is de prijs aangepast, en hoe: 9.000 euro.

Het is tijd om tot actie over te gaan, ik heb lang genoeg om mijn prooi heen gecirkeld. Toch besluit ik op weg naar Utrecht nog een korte stop te maken in het Spiegelkwartier.

Een kwartier nadat ik mijn huis heb verlaten zit ik een paar passen voorbij de zestien Eschers aan een glazen tafel door de eerste druk van Eugène Dubois’ levenswerk te bladeren. Het is een schoonheid, zó gaaf, zó teder, zó geniaal. Met broederlijken groet van den schrijver.

De ‘zwei Tafelen’ achterin zijn het allermooist. Het schedeldak van de Javaanse aapmens staat er in boven- en zijaanzicht afgebeeld. Voilà, het bewijs voor het gelijk van Darwin, maar terug in Europa liep Dubois stuk op een muur van scepsis. Zijn eigen moeder had een vluchtige blik op zijn botresten geworpen. „Wat heb je eraan”, schijnt ze haar zoon te hebben toegebeten. (Moeders!)

Ik vraag de winkelbediende (de heer Schierenberg is in Amerika) waarom zijn Dubois is afgeprijsd – het is toch geen uitverkoop of Kerstsale?

„Het is een marktconforme correctie.”

In de gauwigheid heb ik gezien dat er momenteel drie exemplaren van deze zeldzame druk worden aangeboden: eentje in Arlington (6.700 euro), eentje in Londen (8.000), en deze, die voor me ligt. In een opwelling zeg ik: „Als u die laagste prijs kunt matchen, koop ik hem van u.”

De assistent-antiquair laat er geen gras over groeien en belt prompt zijn baas – gelukkig is het ochtend in New York en neemt hij op. Meneer Schierenberg laat weten dat hij de prijs van het exemplaar in Londen kan matchen.

(Ik juich inwendig: mijn 10 procent heb ik binnen). „Is dit uw beste prijs?”

Meneer Schierenberg antwoordt met een wedervraag: of 6.700 mijn beste bod is.

„7000”, zeg ik zonder slikken. Ik proef slechts suikerglazuur, niet de pil zelf.

„Laat me hier even over nadenken”, zegt de antiquair. „Ik kom er morgen bij u op terug.”

Lynne Brouwer

XXI

Mijn hand rust op de klink, maar de deur zit op slot. Dit is een galerie waar je moet aanbellen om te worden binnengelaten.

Welkenhuysen doet zelf open. We staan wat schutterig tegenover elkaar. Ik stel me voor en geef hem een hand, maar dat haalt het ongemak niet uit de lucht.

Op de vloer achter een bureau staat een krat (!) vol Eschers – ingepakt in bolletjesplastic met daarop in viltstift ‘This side up’, plus de titel van het werk.

Encounter/Ontmoeting is de eerste in de rij. Ik wijs ernaar als naar een gebakje in een patisserie en zeg dat ik daarvoor kom, of beter gezegd dat ik dit werk in september heb gezien, of eigenlijk mijn zus…

Welkenhuysen onderbreekt me. „Deze heb ik twee weken geleden verkocht.”

„Wanneer?”

„Dat zeg ik. Twee weken terug. Hij staat hier nog omdat ik de betaling nog niet binnen heb.”

Ik mag hem zien. Vasthouden. Omdraaien. Ik voel opluchting, om niet te zeggen ontlading. Terwijl ik Ontmoeting van dichtbij bewonder, vertel ik wat ik precies in mijn schild voerde toen ik zojuist aanbelde – met voldoende saldo op mijn rekening courant.

Frank Welkenhuysen op zijn beurt zegt dat hij zich mijn zus herinnert, en dat hij mijn boek met het Escher-omslag heeft zien liggen bij Broese. „Mijn vrouw is een bewonderaar van uw werk”, zegt hij.

Dan pakt hij pen en papier: of ik een opdracht en een handtekening wil achterlaten.

Als u die laagste prijs kunt matchen, koop ik hem van u

XXII

„Met Jeroen Schierenberg. Ik heb er een nachtje over kunnen slapen en ik vind het lastig om dit te zeggen, maar ik heb een min of meer principiële reden waarom ik toch iets meer wil vragen voor de Dubois. Ik heb even in onze administratie gekeken en nu blijkt dat wij hem in 2016 van een collega-antiquair hebben overgenomen. We hebben er destijds 7.250 voor betaald en het voelt gewoon niet goed als ik hem met verlies moet verkopen…”

Ik staar uit het raam met een grijns die zich langzaam verbreedt. Nog even laat ik hem doorpraten, dan verlos ik hem uit zijn lijden.

XXIII

Het medicijn van 7.250 euro dat ik heb ingenomen is een drug. De werking is werkelijk zalig, maar tijdelijk. Het is verslavend, ik kan het iedere calvinist aanraden.

Lynne Brouwer

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.