Opinie

    • Michel Krielaars

In Rusland werd ik met een bijl achtervolgd

Zelf begreep ik Dostojevski pas toen ik in Rusland woonde en merkte dat zijn personages echt bestonden.

De nieuwe vertaling van Dostojevski’s Misdaad en straf leest als een roman van een 21ste-eeuwse schrijver. Dat is vooral te danken aan de speelse geest van vertaler Hans Boland, die met het Nederlands goochelt als Hans Klok. Zo voegt hij tussenzinnen toe waar Dostojevski ze is vergeten, huivert hij niet om iets te schrappen dat hij onzin vindt, gebruikt hij eigentijdse uitdrukkingen als fifty-fifty, last but not least, umsonst, überhaupt en vertaalt hij soms wat er niet echt staat. Van een Russische zin waarin staat ‘De tafel was zelfs tamelijk schoon gedekt’ maakt hij bijvoorbeeld ‘Al kon er door een kniesoor worden afgedongen op de zindelijkheid van het tafellaken.’

Ter gelegenheid van Bolands vertaling verscheen van zijn hand ook Van mensen die geen enge grenzen erkennen. Dostojevski leren lezen, een geestig en verhelderend boekje, waarin hij zijn vertaalkeuzes verantwoordt, de roman becommentarieert en een paar keer stevig uithaalt naar Karel van het Reve, omdat die geen fan van Dostojevski was. Ik sloeg daarom Van het Reve’s Geschiedenis van de Russische literatuur er weer eens op na. En wat bleek? Zijn kritiek richt zich weliswaar op Dostojevski’s intriges, zoals ‘melodramatische verwikkelingen over erfenissen, geheimzinnige documenten, onwettige kinderen, geheime huwelijken, bedrog, misdaad’ en op de handeling van zijn romans, die meestal bestaat uit ‘luidruchtige, emotionele woordenwisselingen, vaak met veel deelnemers en toeschouwers, die hijgend en blazend uiteen gaan om elkaar de volgende dag weer in iets andere samenstelling te ontmoeten in een nieuwe schandaalscène’, maar hij schrijft ook dat hij Dostojevski weliswaar jarenlang niet heeft kunnen lezen, maar dat hij Het dodenhuis en Misdaad en straf inmiddels meesterwerken vindt.

Wel heeft Van het Reve ook bij die twee boeken nog altijd weinig op met Dostojevski’s hysterische stijl. Terwijl Boland die juist geniaal en uit het leven gegrepen vindt, omdat Dostojevski gebonden was aan ‘een taal die totaal ongeschikt is voor juristerij, systematische wijsbegeerte en gebruiksaanwijzingen voor auto’s en wasmachines: de meest alcoholische taal ter wereld en een taal die waanzinnig geschikt is om ongeremde zieleroerselen en kosmisch breinstormen te verwoorden.’ Een typering waarmee hij meteen de problematiek van Poetins Rusland samenvat.

Je kunt Dostojevski dus op zowel een oermenselijke als op een esthetische manier lezen, waarbij het oordeel op de ballenschaal nogal uiteen kan lopen. Bolands aanval op Van het Reve is daarom kort door de bocht. Van het Reve hield nu eenmaal meer van subtiele schrijvers als Tsjechov en Toergenjev, die in hun werk schoonheid en beschaving nastreefden in plaats van oeverloze gevoelsuitbarstingen weer te geven, ook al geven die misschien het enige echte leven weer.

Zelf begreep ik Dostojevski pas toen ik in Rusland woonde en merkte dat zijn personages echt bestonden. Sterker nog, in mijn Moskouse buurt had ik vaak het gevoel in een Dostojevski-roman te zijn beland. Zo ben ik ooit door een eigentijdse Raskolnikov met een bijl achtervolgd, omdat ik uit het Westen kwam en daarom dood moest. Een bisschop in vol ornaat heeft me toen gered. Russischer kan het bijna niet.