Wat wordt het beste kinderboek van 2018?

Kinderliteratuur Er zijn twee baanbrekende boeken onder de genomineerden van de Woutertje Pieterse Prijs, die donderdag wordt toegekend.

De jury van de Woutertje Pieterse Prijs, die komende donderdag het beste kinderboek van 2018 bekroont, heeft de keuze tussen twee baanbrekende boeken, twee goede boeken en twee tegenvallers.

Die laatste categorie vormt zich óók door wat de jury niet nomineerde, zoals het uitmuntende prentenboek Vosje, het unieke non-fictieboek Het mysterie van niks en de vernieuwende dichtbundel Ze gaan er met je neus vandoor. Onbegrijpelijke omissies.

Twee genomineerden steken bij dat vergelijkingsmateriaal schril af. Tierenduin van illustrator Geert Vervaeke (1962) is een tekstloos prentenboek dat escheriaanse spelletjes speelt met het uiterlijk van dieren. Een tijgerstaart blijkt ook een slangenkop, in de pinguïn schuilt een muizenvorm, enzovoorts. Een aardig zoekspel, maar door de minimalistische, grafische stijl heeft het wel een erg kille uitstraling, waardoor je er toch gauw op uitgekeken raakt.

Angstig moment

Eigenaardig is de keuze voor het verstilde Alles komt goed, altijd van Kathleen Vereecken (1962), een verhaal over een gezin uit Ieper tijdens de Eerste Wereldoorlog, gezien door de ogen van een jong meisje – al is dat laatste problematisch. Alices woorden zijn zo gepolijst en doordacht dat de (volwassen) auteur er nadrukkelijk doorheen klinkt. Dat maakt het beschrevene afstandelijk en ongeloofwaardig. Zo analyseert Alice na een angstig moment precies hoe ze haar moeder knuffelt: ‘Ze wreef over mijn rug, en ik wachtte tot ze zou zeggen dat ik niet bang hoefde te zijn.’ Zulk zelfbewustzijn jaagt de spontaniteit uit de ervaring, perst het leven uit de waarneming.

In Tegenwoordig heet iedereen Sorry van Bart Moeyaert (1964) zijn de zinnen ook van hoge, poëtische dichtheid, maar ze zitten wél vol leven. Verteller is de 12-jarige Bianca, volgens haar ouders ‘onhandelbaar’ – zelf voelt ze zich ongezien. De vertelling concentreert zich in één middag, als een bekende soapactrice ineens in de huiskamer staat. Bianca overweegt om soap werkelijkheid te laten worden en een daad te stellen.

Moeyaert kreeg begin deze week de Astrid Lindgren Memorial Award, de hoogste jeugdliteraire eer ter wereld. Die oeuvreprijs is misschien juist zo terecht omdat zijn schrijverschap zich niet zozeer van hoogtepunt naar hoogtepunt beweegt, maar een constante uitzonderlijkheid bezit: dankzij de geladen taal, de stilistische verfijning. Zo is ook Tegenwoordig heet iedereen Sorry een ‘gewone’ Moeyaert: knap werk, sterke constructie, maar niet uitzonderlijk in het oeuvre – en ook minder beklijvend dan andere genomineerden.

15.000 euro

Marjolijn Hof (1956) maakte met Lepelsnijder juist iets heel anders dan we van haar kennen. En het genre van avonturenverhaal zit haar als gegoten. Al is Lepelsnijder wel vooral een ‘psychologisch avonturenverhaal’: het gaat Hof niet om actie- scènes, maar om de (spannende!) ontwikkeling van haar hoofdpersoon. Janis verlaat zijn beschermde omgeving, ver van de bewoonde wereld, als zijn pleegvader op een dag verdwijnt. Hof vertelt een meeslepend verhaal dat steeds onvoorspelbaarder én ingenieuzer in elkaar blijkt te steken. De zoektocht van Janis naar wie hij kan vertrouwen en welke keuzes hij zelf moet maken, dus naar wie hij is, levert een prachtig en betekenisvol verhaal op.

Lees ook: Een sprankelend prentenboek dat erom vraagt opnieuw gelezen te worden (●●●●●)

Toch lijken de kansen van Lepelsnijder om reglementaire redenen klein: de Woutertje Pieterse Prijs is voor auteur en illustrator sámen en laat hen het prijzengeld van 15.000 euro gelijkelijk delen. Dat is de inbreng van illustrator Annette Fienieg, die een omslag en tien vignetten maakte, eigenlijk niet waard.

Hetzelfde geldt voor Alex de Wolf, die een bescheiden bijdrage (en niet zijn beste werk) leverde aan De reis van Syntax Bosselman van Arend van Dam. Maar dat is wél een baanbrekend kinderboek. Van Dam (1953), bekend kindergeschiedschrijver, vond voor zijn verhaal over het Nederlandse slavernijverleden een geweldige nieuwe vorm. In gefictionaliseerde scènes toont hij het leven van een Surinaamse man die echt bestaan heeft en tentoongesteld werd op de Amsterdamse Wereldtentoonstelling van 1883. Maar Van Dams onderzoek naar de slavernij gaat breder en dieper, langs vele historische momenten en plekken. Af en toe toont de schrijver hoe hij zelf werkt, archieven onderzoekend, wetenschappers mailend. Zo vertelt hij een complete, afgewogen geschiedenis.

Niet te vergelijken

Van Dam schrijft altijd eenvoudig en glashelder – ook nu. Soms stelt hij zich de scènes wat simpel voor (‘De kooplieden keken elkaar enthousiast aan’), maar dat vergeef je hem meteen, omdat hij laat zien dat hij daar fabuleert, bij gebrek aan bronnen. En héél anders zal het niet gegaan zijn, daarvan overtuigt zijn gedegen onderzoek wel. Baanbrekend dus, dit zeer geslaagde grensgeval van fictie en non-fictie voor kinderen – en een boek met impact, al blijft de fletse, zuinige vormgeving daar bij achter.

Lees ook de recensie van Zeb.: Twee plus twee kan ook vijf zijn

Daarom is er geduchte concurrentie van de verhalenbundel Zeb. van schrijver Gideon Samson (1985) en illustrator Joren Joshua (1991), die beiden schitterend werk leverden – en baanbrekend. Samsons verhalen tonen in normale omgevingen steeds één onlogisch gegeven. Een nieuwe zebra in de klas, twee plus twee blijkt vijf? Niemand kijkt ervan op. De verhalen laten het onmogelijke gewoon worden en houden zo, uiterst monter, conventies en werkelijkheid tegen het licht. In Zeb., dat zich met geen ander (kinder)boek laat vergelijken, laat Samson zien wat humor vermag in een kinderboek – en wat literatuur vermag in het leven.