Recensie

Recensie Boeken

Ook na drie keer lezen blijft ‘Misdaad en straf’ een meesterwerk (●●●●●)

Misdaad en straf De nieuwe, fonkelende vertaling van Dostojevski’s klassieker toont opnieuw aan dat moreel besef niet klakkeloos kan worden opgelegd.

Armoede, uitbuiting en mishandeling, gedwongen huwelijken en prostitutie, alcoholisme, verkrachting, kindermisbruik en gierende krankzinnigheid; Sint-Petersburg lijkt tijdens de snikhete dagen waarin 'Misdaad en Straf' van Dostojevski zich afspeelt, de hel op aarde.
Armoede, uitbuiting en mishandeling, gedwongen huwelijken en prostitutie, alcoholisme, verkrachting, kindermisbruik en gierende krankzinnigheid; Sint-Petersburg lijkt tijdens de snikhete dagen waarin 'Misdaad en Straf' van Dostojevski zich afspeelt, de hel op aarde. Illustratie: Joost Hölscher
    • Bas Heijne

Moeilijk om bij het zien van interviews met gevangengenomen IS-strijders, die dezer dagen veel in de media opduiken, niet meteen te denken aan Rodion Raskolnikov, de beroemdste moordenaar uit de wereldliteratuur. Je ziet jonge mannen en vrouwen die morele grenzen zijn overgegaan, die medeplichtig zijn aan onvoorstelbare vernederingen en wreedheden. Nu, verslagen en ten einde raad, verschijnen ze voor de camera en wordt hun gevraagd hun schuld onder ogen te zien.

De meesten van hen lukt dat niet. Ze bagatelliseren hun rol, beroepen zich op hun goede bedoelingen, idealisme of naïviteit. Of ze geven hun misdaden toe op een vlakke, onpersoonlijke toon, waarna ze een beroep doen op medemenselijkheid die ze eerder hebben verloochend en veracht. Ze vragen erom als individu behandeld te worden, maar erkennen alleen collectieve schuld. Hun eigen misdadige aanvechtingen worden onbenoemd gelaten of weggepoetst.

Dat een schuldbekentenis oneindig veel gemakkelijker is dan schuldbesef, moet ook de jonge Raskolnikov leren. In Misdaad en straf (1866), verschenen in een fonkelende nieuwe vertaling van Hans Boland, vermoordt de gewezen, aan lager wal geraakte student een oude pandjesbazin met een bijl (en ook haar zuster, de goeiige Lizavjetta, die toevallig binnenkomt op het moment van de moord). Waarom doet hij dat?

Dostojevski laat zijn moordenaar zichzelf op tal van manieren rechtvaardigen, reikt ook via de andere personages tal van afwijkende verklaringen aan, hapsnap verstrooid door de roman. Door bedaarde critici werd dat in het verleden nog wel eens uitgelegd als het bewijs van Dostojevski’s notoir slordige, eeuwig tegen de deadline vechtende schrijverschap; hij zou zelf geen helder idee hebben gehad van het waarom. Maar juist in die kluwen van onontwarbare motieven toont Dostojevski zijn genie.

De bron van Raskolnikovs gruweldaad heeft niet één oorzaak. Is het doorgeschoten nuttigheidsdenken, de notie dat het opgepotte geld van de oude vrouw beter ten goede kan komen aan mensen die het nodig hebben? Is het Raskolnikovs hoogmoedige theorie, neergepend in een tijdschriftartikel, over grote geesten die om zichzelf te verwezenlijken zich niets hoeven aan te trekken van goed en kwaad, die bloed mogen vergieten, enkel omdat ze zijn wie ze zijn? Is hij gewoon gek, gek gemaakt door zijn neurotische aard, door een maatschappij die hem diep heeft doen zinken en vernedert? Of zijn al die verklaringen niets anders dan bezweringen, waarmee men het onbegrijpelijke rationaliseert?

Uiteindelijk doet het er niet toe. Wat belangrijk is, is dat Raskolnikov de moord heeft gepleegd, de grens is overgegaan, ook tot zijn eigen verbazing en ontzetting – dat hij de bijl daadwerkelijk heeft gepakt, heeft aangebeld bij de oude vrouw en haar de hersens heeft ingeslagen. Dat onherroepelijke en onomkeerbare feit bepaalt hem meer dan zijn motief of motieven. Hij is voorgoed afgesneden van zijn dierbaren.

Gierende hoogmoed

Vrijwel meteen na zijn gruweldaad begint Raskolnikovs zoektocht naar verlossing. Hij is expres loslippig tegenover mensen die hem in moeilijkheden kunnen brengen, daagt zijn omgeving uit, bezoekt opnieuw de plaats van de moord. Daarbij wordt hij, ziek en hypernerveus, heen en weer geslingerd tussen gierende hoogmoed en het verlangen naar totale overgave. Zijn kat-en-muisspel met de fantastische, ongrijpbare hoofdrechercheur Porfiri, dat de roman de reputatie heeft bezorgd als een van de eerste misdaadromans en ook meteen een van de beste, is een sublieme illustratie van die dynamiek. Raskolnikov wil triomferen over de politieman, maar tegelijk door hem gezien worden voor wat hij is – een wanhopige moordenaar. Porfiri begrijpt op zijn beurt dat de schuldbekentenis van Raskolnikov zelf moet komen.

Illustratie: Joost Hölscher

De weg ernaartoe is lang. Raskolnikov kan volhouden dat zijn daad een uiting van opstandigheid is, opstand tegen de verdorven wereld om hem heen. Als hij al schuldig is, dan in een wereld die minstens net zo schuldig is. Armoede, uitbuiting en mishandeling, gedwongen huwelijken en prostitutie, alcoholisme, verkrachting, kindermisbruik en gierende krankzinnigheid; Sint-Petersburg lijkt tijdens de snikhete dagen waarin het verhaal zich afspeelt, de hel op aarde. Alles wat zwak is delft het onderspit, goede bedoelingen leggen het af tegen machtsvertoon. Raskolnikov moet toezien hoe zijn geliefde zus Doenja eerst bepoteld wordt door landeigenaar Svidrigailov, vervolgens op basis van valse beschuldigingen kapot wordt gemaakt, daarna uit geldzorg bijna een verschrikkelijk huwelijk sluit met de omhooggevallen zakenman Loezjin en uiteindelijk bijna verkracht wordt door Svidrigailov, op wie ze schiet met een pistool.

Als reactie probeert haar broer het cynisme te omarmen, om zijn eigen onmacht te bezweren, zijn hypergevoeligheid weg te drukken voor al het onrecht dat hij toch niet kan voorkomen.

Al in het begin van de roman, wanneer hij ziet hoe een misbruikt, dronken meisje ’s avonds prooi dreigt te worden van weer een smeerlap (vermoedelijk Svidrigailov), ruilt hij zijn gevoeligheid bliksemsnel in voor hardvochtigheid. Tegen de agent die hij te hulp heeft geroepen, roept hij: ‘Laat toch zitten! Wat zouden we ons ermee bemoeien. Het zijn haar eigen zaken, laat ze hem zijn pleziertje maar gunnen. […] Wat kan ons het schelen?’ Later, nadat hij zich fel heeft verzet tegen het dreigende huwelijk van zijn zus met Loezjin, trekt hij in een opwelling haar handen van haar af: ‘Raar eigenlijk… wat wind ik me op? Vanwaar die stampij? Trouw toch met wie je wil, wat kan mij het schelen?’

Vleesgeworden overgevoeligheid

Tegenover de vleesgeworden overgevoeligheid van Raskolnikov plaatst Dostojevski twee tegenpolen: zijn goedmoedige, opgewekte studievriend Razoemichin en de nihilist Svidrigailov. De eerste heeft een zonnig karakter, wat vooral inhoudt dat hij niet te diep kijkt; hij verdedigt zijn vriend tegen alle verdenkingen in. Hij heeft tal van meningen over de maatschappij, keert zich tegen de ook toen al populaire, linkse opvatting dat misdaad vooral de schuld is van een onrechtvaardige maatschappij. Maar de duisternis in het hart van Raskolnikov ontgaat hem, hij is ziende blind.

Lees ook: De baron die van Dostojevski een groot schrijver maakte

Svidrigailov daarentegen ziet zijn eigen slechtheid in zonder met zijn ogen te knipperen, hij is onovertroffen in mensen- en zelfkennis. Hoewel hij vlak voor zijn zelfgekozen dood in staat is tot goedheid, is het een teken van capitulatie, niet van morele wederopstanding.

Tussen die twee polen, morele blindheid en een overweldigend cynisme, moet Raskolnikov zich een weg naar zijn eigen wederopstanding vechten, naar een diep besef van zijn eigen schuldigheid. Zijn hypergevoeligheid voor onrecht en leed gaat gepaard met smalende trots en wrede hoogmoed, die paradoxale combinatie die je bij zoveel IS-strijders aantreft.

Raskolnikov verzet zich tot het allerlaatste moment. De vrouw die hem de kans op wedergeboorte biedt, de tot prostitutie gedwongen Sonja, redt hem door haar liefde. Maar steeds opnieuw verzet Raskolnikov zich tegen overgave, tot op de allerlaatste bladzijden van de roman. Wanneer hij breekt, erkent hij zowel zijn liefde als zijn schuld.

Borende blik

Misdaad en straf heb ik nu voor de derde keer gelezen – telkens met meer ontzag voor de borende blik die de schrijver in de diepste krochten van het innerlijk leven van zijn personages werpt, Raskolnikov voorop. Geen 19de-eeuwse schrijver durft zo diep te kijken en heeft zo’n scherp oog heeft voor de innerlijke strijd die zelfs in de meest onooglijke of bedaagde mensen woedt.

Illustratie Joost Hölscher

De theatrale uitzinnigheid van de intrige valt onmiskenbaar in de categorie melodrama, maar het is de grote kunst van Dostojevski dat hij dat melodrama onverbiddelijk weet te herleiden tot reële menselijke emoties. Alleen aan de buitenkant zijn de personages karikaturen, vanbinnen zijn ze complexe, oneindig tegenstrijdige wezens, die ernaar smachten door anderen gezien te worden. Nergens bezondigt de schrijver zich aan de misdaad van zijn hoofdpersoon: geen van de personages, hoe slecht of hoe potsierlijk ook, wordt menselijkheid ontzegd, de vrekkige pandjesbazin niet, de van eigendunk vervulde Loezjin niet, zelfs de verworden egoïst Svidrigailov niet.

In een tijd waarin de neiging groeit om niet alleen het gedrag van kunstenaars maar ook de kunst zelf maatschappelijk verantwoord te laten zijn, in naam van een betere wereld, is Dostojevski’s meesterwerk dubbel uitdagend: moreel besef kan niet klakkeloos worden opgelegd; alleen in het besef van de eigen onvolkomenheid krijgt het goede een kans. Zowel het utilitarisme dat onze wereld in zijn greep heeft, de zelfgenoegzame notie dat de wereld volmaakt zal worden wanneer we ons verlaten op welbegrepen eigenbelang, als de gevaarlijke misvatting dat in een rechtvaardige maatschappij alleen maar rechtvaardige mensen zullen zijn, worden genadeloos op de hak genomen.

Blingbling

De vertaling van Boland is opnieuw, net als zijn eerdere Dostojevski-vertaling Duivels en zijn veelgeprezen Anna Karenina, een taalfeest. Als geen ander heeft hij oog voor de rijkdom van het sappige, alledaagse Nederlands. Die rijkdom zit ’m niet zozeer in een rijke woordenschat, maar juist in een informele toon, vol ‘gekneed’ Nederlands: ‘niks speciaals’. Hij flirt onbekommerd met anachronismen, zoals ‘blingbling’ en ‘A4’tjes’. Dat zal hier en daar controversieel zijn, hij gaat ver, maar Boland zoekt die controverse met open vizier. In het interessante en vermakelijke boekje dat hij bij zijn nieuwe vertaling schreef, Van mensen die geen enge grenzen erkennen, legt hij zijn kaarten op tafel: hij vergelijkt zijn zinnen met die van zijn voorganger en licht zijn vaak brutale keuzes toe.

En passant rekent hij af met de Hollandse benepenheid jegens Dostojevski’s schrijverschap: ‘In Nederland, en ik geloof alleen in Nederland, kun je nog steeds slavisten en Ruslandkundigen tegenkomen die geloven dat Dostojevski een humorloze keukenmeidenromanschrijver was.’ Dat zielige vooroordeel, en nog een paar andere, kegelt Boland in dodelijk proza omver. In zijn essay laat hij overtuigend zien hoe doorwrocht de structuur van Misdaad en straf is, hoe meesterlijk de schrijver zijn thema’s spiegelt in de verschillende personages en gebeurtenissen. Ook wijst Boland erop hoe hilarisch het verhaal is, vaak op de pijnlijkste momenten. Maar de beste verdediging van Dostojevski’s schrijverschap is zijn vertaling van deze nog altijd onthutsende roman.

Correctie: in de oorspronkelijke versie van dit artikel stond dat een eerdere Boland-vertaling ‘Demonen’ heet. Dat moet ‘Duivels’ zijn.