Opinie

    • Auke Kok

De visverkoper in Buitenveldert: ergens best schilderachtig

Altijd als ik langs de Europaboulevard fiets, moet ik kijken of de viskar er staat. De aanblik van de oude kraam op de hoek met de A.J. Ernststraat heeft iets geruststellends. Misschien juist omdat Vis’Car Bert, zoals de kar heet, waarschijnlijk zo kan worden weggereden. Voor je het weet is die brede stoep op de hoek in Buitenveldert helemaal leeg, ja toch?

De nieuwsgierigheid komt misschien ook doordat Bert er in zijn eentje staat. Een lone rider achter zijn vitrine met vis en kroketten en vissalades, en in dat verweerde hoofd van hem twee ogen die veel hebben gezien. Intimiderend veel, ben je geneigd te zeggen. Op zijn hoofd warrig wit haar en lang is hij ook nog. Soms vraag ik naar zijn verleden en stromen de namen eindeloos langs het wiegende plastic dat zijn kar omlijst. Namen van zakenpartners en mafkezen en oplichters. Hij kent ze allemaal. Terwijl zijn leven toch zo netjes was begonnen.

Ja, hij is er. Afstappen.

Hij blijkt iets minder solitair te zijn dan ik dacht. De letters ‘Car’ in Vis’Car Bert slaan op zijn vrouw Carla; zij staat hem in de weekenden bij. Het doet bijna afbreuk aan het beeld van Bert die al 72 jaar is en hier elke dag van de week haring schoonmaakt, vers van het mes, minus de maandag. De ontzettend Amsterdamse visverkoper op deze prozaïsche hoek bij het Novotel: ergens best schilderachtig. En hij wil maar niet ophouden. „Ik vind het niet erg om te werken”, zegt hij. „Als ik niet werk ga ik maar lopen en geld uitgeven.”

‘Als je wilt werken kun je altijd je brood verdienen’, stelt hij op een manier die geen tegenspraak duldt

Ik ken verhalen over hem dat hij vroeger een Zündapprijdende playboy was, de zoon van een rijke schoonmaakondernemer. Vervolgens een jong-volwassene, de blits makend in zijn sportwagen op het Leidseplein. Nu, vele jaren later, een oud-volwassene in een viskar in Buitenveldert. Ik vraag niet naar het waarom. Bert is het type dat je in zijn waarde laat.

Daar zorgt hij zelf wel voor. „Als je wilt werken kun je altijd je brood verdienen”, stelt hij op een manier die geen tegenspraak duldt.

„Gewoon je handen laten wapperen”, geeft een vaste klant hem gelijk. „Ik ben 69 en ze vragen mij nog steeds of ik niet meer uren wil werken.”

Zo gaat dat hier. Werken moet je, en volhouden, nooit opgeven. Laat ik volstaan met te zeggen dat Bert een indrukwekkende reeks zaakjes heeft gehad. In de textiel, waardoor hij veel Joodse mensen kent. In de horeca, waardoor hij randfiguren kent. Families, straten, vrouwen, zaakjes: een halve eeuw geschiedenis van Amsterdam wordt hier samen met haring en uitjes opgediend in een gehoorzaal ter grootte van twaalf bij acht stoeptegels.

En Bert gaat door, zijn kar blijft open. Voor de kantoorklerken van de Zuidas. Voor de bezoekers van het Amstelpark aan de overkant van de weg. En voor passanten zoals ik, die altijd weer hopen dat de ankerpunten in de stad blijven waar ze zijn.

Auke Kok is schrijver en journalist.