De dichters van de stad

Halte Poëzie Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in Amsterdam.

Overal in de stad lopen grenzen, zichtbare en onzichtbare grenzen. Als jongen werd mijn wereld begrensd door de Admiraal de Ruijterweg. Die mocht je niet oversteken. Dus stonden wij jongens vaak naar de overkant te kijken waar het wel heel spannend moest zijn. De Roelof Hartstraat scheidt Frikkendorp van Duivelseiland, een duidelijke grens, maar waar Duivelseiland ophoudt, weet geloof ik niemand. In West en Oost ga je onmerkbaar van wit naar gemengd naar mensen van kleur, en het plat van de Jan Eef klinkt anders dan het plat van de Kinkerstraat.

We trekken lijnen door de stad. Wie voetbalt, weet hoe-ie van Swift bij Arsenal moet komen, wie tennist op de Kattenlaan weet Festina niet ver weg, zoals een beetje cafébezoeker het volgende café al kent. Het plan van Nikolaas Kroese om alle kerktorens van Amsterdam door gouden kettingen met elkaar te verbinden zodat er een kooi van Faraday ontstond die alle anti-materie buiten zou houden, is geloof ik niet door gegaan, maar poëzie is overal. Lang geleden alweer ontstond bij de schrijver Peter Andriesse het vermoeden dat er zoiets bestond als het Hoornik Concern, een poëtische maffia waarvan de leden door onzichtbare draden met elkaar verbonden waren. Vanuit zijn hoofdkwartier op de Prinsengracht had Ed Hoornik, capo di tutti capi, een ragfijn web over de stad geweven, waarin talloze dichters al gevangen zaten en waarin bij voorkeur jonge en knappe, uit de provincie afkomstige dichteressen zich nog vangen lieten.

Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij, maar de dichters van de stad vormen nog altijd een netwerk op de kaart. Ik houd ze bij voorkeur in de gaten vanuit de tram, die andere spinner van webben.

Van halte naar halte reis ik van gedicht naar gedicht, van Margerite Luitwielers rafelige rafelranden van de stad in de Czaar Peterstraat, langs Tom van Deels ‘hokken, waar ook na lang gezoek geen dier in wordt gevonden’ in Artis naar Emily Dickinsons bloeiende prairie aan de Marnixstraat. Gedichten op gevels en daken, in parken, op geboorte- en sterfhuizen, op monumenten en grafstenen, in parken en achter ramen, in boekenkastjes op straat en boekenkasten in huis, in boekwinkels, bibliotheken. Ik zie de huizen waar de verzen werden geschreven, tuinhuisjes diep in het Verre Westen, appartementen in Oud-Zuid, een Rijnaak in de Oude Schans. In de cafés waar poëzie meedronk, kan je de stemmen van de dichters nog horen. En in de tram reist af en toe een dichter mee.