Andreas Terlaak

‘De code is: geen ruzie, geen conflict’

Dubbelinterview Acteur Porgy Franssen en tweelingzus Bess waren thuis met z’n dertienen. Hij schrijft een toneelstuk over de familie. „Over die verborgen emotie die er als een donkere wolk boven hangt.”

‘Koffie”, zegt Porgy tegen de jongen van de bediening. „Mag ik er een beetje warme melk bij? Met schuim.” „Dan moet je een latte nemen”, zegt Bess.

„Wat zeg je? Duidelijk praten, Bess.”

„LAT-TE. Dan moet je een LAT-TE nemen.”

„Dat klinkt naar veel melk. Ik wil weinig melk. Een klein beetje warme melk.”

„Waar willen jullie het over hebben?”, vraagt Bess aan ons.

Lloyd Hotel, Amsterdam, zaterdagochtend. Porgy Franssen, 62, acteur, heeft zijn tweelingzus Bess Franssen 62, harpiste, net met de auto van de trein gehaald. Zij woont in Maastricht. Hij woont in de Houthavens. Morgen gaat hij voor een halfjaar naar Spanje.

Jullie vader. Het gaat in interviews altijd over jullie moeder en haar dertien kinderen, en dat jullie vroeger als de familie Von Trapp in The Sound of Music

Bess: „… optraden als de Hollandse Franssen.”

Maar het gaat nooit over jullie vader.

Porgy: „Leuk idee. Laten we het over papa hebben.”

Mocht hij meedoen thuis?

Bess: „Hij werkte. Papa werkte. Hij was gemeentearts in Eindhoven.”

Porgy, tegen ons: „Verstaan jullie haar wel?”

Bess: „Papa was GE-MEEN-TE-ARTS in Eindhoven.”

Porgy: „Bedrijfsarts.”

Bess: „Gemeentearts.”

Porgy kijkt in de kan melk die op tafel is gezet. „Dat is véél melk”, zegt hij tegen de jongen van de bediening. „Bess, wil jij melk in je thee?”

Bess: „Die kan hoeft toch niet leeg?”

Porgy: „Jawel, anders is het zonde.” Hij houdt de kan boven onze kopjes. „Willen jullie warme melk?”

Jullie vader was dus gemeentearts.

Porgy: „Bedrijfsarts. Bij de gemeente Eindhoven.”

Bess: „En sportarts. ’s Avonds was hij sportarts. Ik mocht vaak met hem mee, plasjes controleren. Deed jij dat ook, Porgy?”

Porgy: „Ja, met een schort voor. Met zo’n stripje kijken of er suiker in zat. Of eiwit.”

Bess: „Iedereen mocht hem op zijn werk, dat vond ik leuk.”

Porgy: „Op zijn werk was hij populair.”

Mijn vader stonk. Mijn moeder ook trouwens

Porgy Franssen

En thuis?

Porgy: „Thuis bestond hij niet.”

Bess: „Nou, nou, nou. Hij was gewoon niet dominant aanwezig.”

Porgy: „Grappig hoe jij over hem praat. Ik zou meteen heel anders over hem praten. Bij zijn afscheid van de GG&GD stond er tot boven en buiten een rij mensen die hem de hand wilden schudden. Waarom eigenlijk? Niet dat hij een lul was of zo. Maar hij was ook niet lief.”

Bess: „Jawel. Papa was lief.”

Porgy: „Nee, hij was niet lief. Hij was er gewoon niet. Hij was slachtoffer van een leven waar hij niet voor gekozen had.”

Bess lacht.

Porgy: „Die veertien kinderen” – eentje ging met acht maanden dood – „was mama’s idee. Mama wilde veel kinderen, dus het was snurken, neuken en hup, weer zwanger.”

Bess, tegen ons: „Dat moeten jullie zo niet opschrijven, hoor. Snurken, neuken en weer zwanger.”

Porgy: „Maar zo was het wel.”

Jullie moeder zei het zelf ook.

Bess: „O ja?

In het filmpje dat jullie zusje Irm over haar gemaakt heeft.

Bess: „Wat zei ze dan? Snurken, neuken en weer zwanger?”

‘Neuk was leuk.’ Ze zingt het zelfs.

Bess: „Ze was toen al heel oud.”

Ze huilt ook om het kind dat er niet meer is.

Bess: „Zie je dat we het nu alweer over mama hebben? Als je vader de stille is en je moeder de aanwezige, dan heb je het al snel niet meer over hem.”

Porgy: „Hij viel in een paar dingen op. Een enkele keer mocht je op zaterdag met hem mee naar de V&D om een pasteitje te eten. Dat was een hele eer.”

Bess: „En de vakanties.”

Porgy: „Wacht even, Bess. Ik ben nog niet klaar. Op zaterdag wat met hem gaan eten, dat was heel wat. En de vakanties, ja. Daar nam hij het voortouw in. In de zin dat hij de auto bestuurde.”

Bess: „Dan gingen we naar Frankrijk.”

Porgy: „Kastelen kijken. Alsof je daar als kind op zit te wachten.”

Andreas Terlaak

Nam hij jullie allemaal mee?

Bess: „Vijf, meer pasten er niet in de auto. Stonden we in Bois de Boulogne op de camping, kreeg ik ’s avonds een glaasje Pernod. De musea, daar vond ik niet veel aan. Maar dat glaasje Pernod was leuk.”

Porgy: „Hij gaf jou Pernod omdat hij zelf een borrel wilde.”

Bess: „Nee, omdat ik gekookt had. Hij nam me serieus.”

Porgy: „Mij nam hij altijd graag mee, want ik was wel een beetje zijn lieveling. Dat weet jij misschien helemaal niet, Bess.”

Bess: „Nee, dat heb ik nooit gemerkt.”

Porgy: „Ik heb vaak gehoord dat het zo was. Niet van papa, van mama.”

Bess: „Je lijkt op hem, daarom doe je nu zo vervelend over hem. En daarom hou ik van jou.” Ze schuift een beetje naar haar broer toe.

Porgy: „Ik hield van die man, dat staat voorop. Maar ik denk het mijne over hem. Ik ben geneigd de dingen negatief uit te leggen. Jij noemt meer de leuke kanten.”

Bess: „Maar ik ben wel eerlijk.”

Porgy: „Wie is eerlijk? Ik ben eerlijk.”

Bess: „Nee, ik.”

Waarom vond hij jou lief, Porgy?

Porgy: „Omdat ik heel pleasend was.”

Bess: „Omdat papa’s grootste hobby toneelspelen was. Op zaterdagavond ging hij altijd met ons toneelspelen. Ik kon er geen fuck van, maar Porgy kon dat heel goed. Dat vond papa leuk.”

Porgy: „Filmpjes maken met Super 8, ik kreeg subsidie van hem om filmpjes te maken.”

Bess: „Papa was lief, Porgy. Als je naar de trein moest, dan bracht hij je en hij was altijd ontroerd bij het afscheid.”

Porgy: „Het was lief dat hij dat dééd, Bess. En hij deed het om even van huis weg te zijn. Weg van zijn vrouw en van de drukte. Je gaat toch niet uit liefde dertien kinderen chaufferen? Je hebt toch wel wat beters te doen? Maar dat was het. Hij hád niks beters te doen.”

Bess: „Nou.”

Porgy: „Ja, zijn werk. En ’s avonds keek hij af en toe in een encyclopedie om interessant over te komen.”

Bess: „Hij had zijn kunstboeken. En zijn postzegels. Hij hield gewoon niet van muziek, zoals mama. En hij hield ook niet van sport. Bij mama was het sport en muziek, en bij ons, bij veel van ons, is het altijd muziek.”

Ik heb heel veel minnaars gehad, maar nog nooit zo’n goeie als die ik nu heb

Bess Franssen

Waarom ga jij weg, Porgy?

Porgy: „Ik ga niet weg.”

Je gaat een halfjaar naar Spanje.

Porgy: „Maar niet om iets te ontvluchten. Ik ga daar gewoon zitten, alleen. Ik huur een huis bij Malaga.”

Bess: „En iedereen mag komen.”

Porgy: „Ja, iedereen is welkom, alle broers en zussen. Ze hebben allemaal gezegd dat ze komen. Maar daar geloof ik niks van.”

Waarom ga je?

Porgy: „Ik vind het lekker om anoniem op een plek te zitten waar ik geen verantwoording hoef af te leggen. Ik woon toch naast mijn ex en ik kan haar niet tegenkomen of eh…”

Bess: „Je schoonmoeder is er ook altijd.”

Porgy: „Ja, en mijn zus Irm, want zij is getrouwd met mijn ex, en dat is een situatie die eigenlijk heel erg okay is, want ons kind woont tussen ons in, Robin kan naar haar moeder en naar mij. Maar je denkt ook: dit moet niet tot mijn dood zo blijven.”

Bess: „Nee.”

Porgy: „Al zouden mijn ex en Irm in mijn fantasie ook een boerderij in Gelderland kunnen kopen en dat ik dan een deel ga bewonen.”

Bess: „Dat is niet hun fantasie, hoor. Zij willen dat niet. Jij gaat dat niet doen.”

Porgy: „Ga jij nou bepalen wat ik ga doen?”

Bess: „Toen ik vorig weekend bij jullie was, was het mij volstrekt duidelijk dat jullie niet meer bij elkaar moeten wonen.”

Porgy: „Omdat we woorden hadden? Dat is toch niet erg?” Hij schudt nee. „Over het algemeen gaat het heel goed. Aan de andere kant heb ik natuurlijk wel mijn geliefde, Renée.” Renée Fokker, 57, actrice. „Het zou gezonder zijn om uiteindelijk in een situatie te komen waarin ik met haar opnieuw begin. Bedoel je dat, Bess?”

Nieuwe koffie. Porgy geeft de kan met een restje melk aan de jongen van de bediening. „Wil je dat opwarmen?” Bess kijkt op het menu en zegt dat ze een kinderboterham wel lekker zou vinden.

Andreas Terlaak

Wie van jullie is de oudste?

Bess: „Ik.”

Porgy: „Een kwartier.”

Wisten jullie ouders dat er een tweeling aankwam?

Porgy: „Ook zoiets. Mijn vader was arts en hij wist niet eens dat er een tweeling inzat.”

Bess: „Hoe weet je dat?”

Porgy: „Omdat het zo was.”

Bess: „Maar je wéét het niet.”

Porgy: „Jawel, want ze hadden bedacht dat ze een meisje Bess zouden noemen en een jongen…”

Bess: „Dat is het verhaal.”

Porgy: „…Porgy en laten het nou” – hij spreidt zijn armen – „een meisje én een jongen zijn.” Hij grijnst. „Papa wist het niet, Bess. Je weet toch dat papa het nooit geweten heeft? Het interesseerde hem ook niet.”

Bess lacht.

Porgy: „Aandacht kregen we ook niet. Zo was het, Bess.”

Bess: „Ik had wel nachtouders.”

Nachtouders?

Bess: „’s Nachts ging ik tussen hen in slapen. Dan waren ze helemaal van mij alleen.”

Porgy: „Ik deed dat niet. Ik vond dat vies. Ik vond dat stinken. Mijn vader stonk. Mijn moeder ook trouwens. Ik dacht altijd, gadverdamme, hoe kunnen die kinderen daar tussen gaan liggen. Hein deed het ook altijd.”

Bess: „Ik vond het heerlijk. Benjamin” – haar oudste zoon – „sliep tot zijn vijfde elke nacht bij mij.” Tegen ons: „Mijn eerste kind heb ik alleen gedaan.”

Porgy: „Je zit weer te mompelen, Bess.”

Bess: „Mijn EERS-TE kind heb ik AL-LEEN gedaan. Ik zat in het orkest van André Rieu, maar dat was niet vol te houden, al dat reizen. Daar ben ik mee gestopt. Ik heb voor mijn kind gekozen, en voor het lesgeven. Toen leerde ik de man kennen met wie ik nu ben. Die had al drie kinderen en we kregen er samen nog eentje. Ik had het nooit meer verwacht, ik was al 43.”

Ik heb al zes keer gehuild tijdens dit gesprek

Porgy Franssen

Je was er wel blij mee?

Bess: „Op het geboortekaartje stond: een geschenk uit de hemel. Ik heb altijd veel kinderen gewild, net als mijn moeder. Voor haar waren de bevallingen de mooiste momenten in haar leven. Ze vertelde er vol vuur over en ik dacht altijd: dat wil ik ook vaak meemaken – tot ik de eerste kreeg. Het bleek zwaarder dan ik had gedacht.” Stralend: „Nu heb ik er toch vijf. En vier kleinkinderen.”

Porgy: „Mooie kinderen.” Tegen ons: „Bess heeft mooie kinderen.”

Bess, stralend: „Onze zoon Onne kwam toen hij klein was ook iedere nacht bij ons liggen.”

Porgy: „Robin wil het niet meer. Maar ze wil wel dat ik bij háár kom liggen. Heb ik gisteravond nog gedaan en dan moet ik” – hij laat de vingers van zijn rechterhand over Bess’ arm dartelen – „haar kietelen. Ik doe het zolang het nog kan, want ze is al zestien. Gisteravond zei ik nog tegen haar: zorg dat de man die je krijgt dit ook bij je doet en denk dan aan mij.”

Bess: „Zij moet dat bij hém gaan doen.”

Porgy: „Mannen doen dat bij vrouwen, toch?”

Bess: „Mijn man kan dat niet, hij kan niet kietelen.”

Porgy: „Dan kan hij ook de liefde niet…”

Bess: „O, o, o, Porgy. Jij hebt wel oordelen, hè. Oordelen die niet kloppen.”

Porgy rost nu over Bess’ arm. „Doet hij dit bij je? Dan kan hij je toch niet liefhebben?”

Bess: „Ik heb heel veel minnaars gehad, maar nog nooit zo’n goeie als die ik nu heb.”

Porgy: „O ja?”

Bess: „Ja. Daarom ben ik bij hem gebleven.”

Porgy kijkt in de nieuwe kan melk die op tafel is gezet en stelt teleurgesteld vast dat die helemaal vol is. Dan zegt hij: „Jullie vroegen of Bess en ik elkaar vaak zien. Als ik in Maastricht speel wel, ja. Dat was met De advocaat van Ilja Leonard Pfeijffer, en met King Lear, en het gaat weer gebeuren met Peachez. Ik woon daar dan steeds voor korte periodes en fiets zo naar haar toe.”

Bess: „We fietsen samen, we zwemmen samen, we gaan naar voorstellingen. Het fijnste vind ik…” Ze kijkt naar Porgy. „Wat vind jij het fijnste?”

Porgy: „Eh…”

Bess: „Als we samen in een voorstelling zitten, naast elkaar. Dat je er gewoon weer bent. Heel lang zag ik je bijna nooit, want mijn kinderen waren klein en jij werkt altijd. Vroeger, als ik je wilde zien, dan ging ik naar een voorstelling van je. Het is geen eh…”

Porgy: „Verwijt.”

Bess: „Nee.”

Porgy: „Het is een feit.”

Bess: „Jij werkt gewoon heel hard.”

Porgy kijkt naar zijn zus alsof hij haar vandaag voor het eerst ziet. „We hebben negen maanden tegen elkaar aan gelegen, best een gek idee.”

Beetje vies ook?

Porgy lacht.

Bess: „Er zat een vlies tussen.”

Porgy: „Gelukkig wel.”

Bess, tegen ons: „Porgy heeft me geholpen met mijn expressie met harp en zang. In de jaren met mijn kinderen was dat een beetje ingeslapen. Ik speelde een stuk van Benjamin Britten voor hem en hij zei: vertél nou eens wat, dóé eens wat, het gaat niet om de noten, wat wil je zéggen? Voor mijn gevoel speel ik sindsdien veel beter. Dank je wel nog, Porgy.”

Andreas Terlaak

Was het niet eng om voor je broer te spelen?

Porgy: „Het was heel moedig van Bess. Ik zei: schreeuw nou eens mee.”

Bess: „Schreeuwen is normaal niet mijn ding.”

Porgy: „Maar je deed het wel en het móést ook. Als je alles cerebraal gaat zitten vertalen, gebeurt er níks.”

In Malaga, zegt hij, gaat hij een voorstelling over de familie maken. Het idee is: alle dertien broers en zussen op het toneel, net als vroeger, toen ze als koor en orkest onder leiding van hun moeder optraden. „Het begint ermee dat we aan tafel zitten en dan” – hij tikt met zijn lepeltje tegen zijn kopje – „vraag ik de aandacht en zeg: ‘Binnenkort komt het moment dat de eerste van ons doodgaat, en de tweede en de derde, en op het laatst is er één over en vanavond gaan we het materiaal verzamelen voor de laatste grafrede.’ Wat ik ook had bedacht: dat ik degene ben die het gezin bij elkaar wil harken nu de ouders dood zijn, nog één keer. Het is ook een cadeau dat ik aan mijn broers en zussen geef, want we zijn een hecht gezin, maar geen affectief gezin en…”

Bess: „Huh?”

Porgy: „…dat mis ik wel een beetje.”

Bess: „Wat bedoel je met niet affectief?”

Porgy: „In de zin van knuffelen en elkaar vastpakken, weet je wel. Het is goed en mooi en hecht, maar het is ook ongevaarlijk. Er wordt nooit iets uitgepraat. Geen ruzies, geen conflicten.”

Bess: „Ik maak wel ruzie hoor. Ik heb met Jet enorme ruzie gehad.”

Porgy: „Ja, goed, okay, maar jij staat erom bekend. De code is dat we geen ruzie maken en niets uitpraten.”

Bess: „En dat lichamelijke waar je het over had – wat zei je ook al weer?”

Porgy: „Affectie. Die is er niet.”

Bess: „Bij de zussen wel, hoor. Als ik bij Bea ben of bij Helma, dan kruipen we altijd bij elkaar in bed. Vorig weekend bij jou ben ik ’s morgens bij
in bed gaan liggen.”

Porgy, tegen ons: „Alleen voor de gezelligheid, hè.”

Bess: „Voor de gezelligheid, ja. Ik was lang ongetrouwd, tot mijn veertigste, en alle zussen waren wel getrouwd, en dat vond ik erg jammer, want dan kon ik niet met ze in bed liggen – hun mannen lagen daar dan al. Gelukkig kwamen mijn zussen dan bij mij.”

De code is dat die emotie niet bestaat en ik vind dat pijnlijk

Porgy Franssen

Die voorstelling, Porgy. Hoe groot is de kans dat een van jullie op het toneel met iets op de proppen komt dat de boel laat ontploffen?

Porgy: „Een broer of zus die seksueel misbruikt is, bedoelen jullie? Helaas is dat niet zo. Voor de voorstelling was het fijn geweest.”

Doet iedereen mee?

Bess: „Carla niet, denk ik. En doet Huib mee?”

Porgy: „Wat bedoel je? Carla doet juist mee.”

Bess: „Carla en Huib waren degenen die nee zeiden toen we met mama op tournee naar Amerika zouden gaan. Toen ging het niet door.”

Porgy: „De vraag is of dat verhaal klopt. In elk geval moet ik rekening houden met heel veel broers en zussen die niet kunnen acteren en die ik dus niet één woord wil laten zeggen op het toneel. Misschien zijn er drie of vier die ik een zin durf te geven, maar…”

Bess: „En ik? Ik?”

Porgy: „Durf jij wat te roepen op het toneel?”

Bess: „Sinds die sessies met jou durf ik alles.”

Porgy: „Okay, dan worden het er misschien vijf. De stunt is dat het een echte familie is. Het moet ook echt over de familie gaan, maar tegelijkertijd moet het iets universeels krijgen, en in mijn fantasie staat die tafel van het begin op een plateau dat ronddraait, en dan staat de moeder op – de vader en de moeder worden gereïncarneerd – en ze zegt: ‘Voor wie zijn we vanavond met z’n allen stil?’ Meteen gaan er twaalf vingers omhoog. ‘VOOR DE KINDJES IN BIAFRA.’”

Bess: „Waarom twaalf?”

Porgy: „Omdat er maar twaalf meedoen. Huib doet nog niet mee.”

Bess: „O!”

Porgy, snel doorpratend: „Acht van ons maken muziek en dat ga ik ook gebruiken, en ik gebruik beelden van wolven, want wolven kennen gezinsstructuren en hebben respect voor de ouderdom, en dan beweer ik dat ik uit een wolvenfamilie kom…”

Andreas Terlaak

Heeft jullie vader een rol?

Porgy: „Ik heb een scène geschreven waarin hij een stem heeft, ja.”

Bess: „Zal ik jou daar een beetje bij helpen?”

Porgy: „Hoe bedoel je?”

Bess: „Met hem een stem geven. Ik wil wel invloed. Bij papa wil ik invloed.”

Porgy, weer snel doorpratend: „Ik gebruik ook beelden van de begrafenis van mijn moeder en van een wolvenjacht, hoe wolven andere wolven doodmaken, en dan” – hij lacht naar Bess – „wordt Our Father gezongen, vierstemmig, net als vroeger. We nemen het live over op het toneel en je blijft je afvragen hoe dat in godsnaam kan, zo’n groot gezin, en dat het nog zo hecht is.”

Bess: „Door de muziek. Daardoor gaat veel goed.”

Porgy: „Die avond moet het publiek ervaren wat ik vroeger ook altijd ervoer: zo’n huishouden met dertien kinderen is chaos en gedoe en oorlog en toestanden, maar als we ’s avonds op het toneel stonden en mijn moeder deed zo” – hij geeft als een dirigent de opmaat – „dan was er een ongekende harmonie, heel ontroerend, alsof de wereld stilstond, en dan waren we met z’n allen maar één ding.”

Bess: „Muziek.”

Porgy: „Als mama een laudate zong, van Mozart of zo, en wij vielen in, kon ik soms niet eens meezingen, zo geëmotioneerd was ik. Dan deed ik maar alsof.”

Bess: „O, Porgy, je hebt ineens tranen.”

Porgy: „Ik heb al zes keer gehuild tijdens dit gesprek, is jullie dat niet opgevallen?”

Bess: „Maar waarom dan?”

Porgy: „Ik wil het er niet over hebben. Het is te moeilijk. Ik voel dat er heel veel – hoe zeg ik dat zonder in huilen uit te barsten?”

Bess: „O, wat komt er nu?”

Porgy: „Er zit veel emotie onder alles in zo’n gezin en je laat het nooit zien, dat is de code. De code is dat die emotie niet bestaat en ik vind dat pijnlijk. Snappen jullie dat? Olga zei tegen me: ‘Waarom is het tussen ons altijd zo moeilijk? Als ik jou zie en ik wil je kussen, kan dat nooit normaal.’ Ik zeg: ‘Ik kan jou best een normale kus geven, daar ben ik acteur genoeg voor, maar ik voel aan jou – jíj bent degene die gek gaat doen.’”

Bess: „Ja, ja.”

Porgy: „Ze scháámt zich om mij een kus te geven. Maar ik snap heel goed wat ze bedoelt.”

Bess: „Carla gisteren, ik wil haar een kus geven en ze doet helemaal zo.” Ze wendt haar gezicht af.

Porgy: „Wie deed dat?”

Bess: „Carla. Ik zeg: ‘Carla, ik ben je zús.’”

Porgy: „Irm heeft het ook. Irm kun je niet kussen.”

Kunnen jullie elkaar kussen?

Bess kust Porgy op zijn wang. „Op het station heb ik je gekust.”

Porgy: „Je deed zo.” Hij biedt haar zijn wang aan. „Zo van: kus míj maar. Je kuste mij niet terug, Bess. Geeft niks, niet belangrijk verder, maar wat ik denk is dit: we komen dan letterlijk in een gebied waar wij nooit komen. En sommigen van ons laten dat expliciet merken. Waarom? Geef een kus en je bent klaar. Maar nee, het moet expliciet gemerkt laten worden. Waarom?”

Bess: „Niet iedereen is zo, hè.”

Porgy: „Huib niet, nee. Hij doet altijd normaal als hij me kust. En dan ben ik degene die denkt: moet dit? In Malaga ga ik daar dus over nadenken. Over die verborgen emotie die als een grote donkere wolk boven de familie hangt. Jij ziet die niet, Bess?”

Bess: „Eh…”

Porgy: „Een grote, sterke emotie die geen pijn doet, maar wel veel verdriet geeft. En waarom? Dat wil ik onderzoeken.”

Waarom doet Huib niet mee?

Porgy: „Hij vindt dertig keer optreden te veel. Het debielste argument dat ik ooit gehoord heb. Hij is toch ook al twintigduizend keer naar zijn werk gegaan?” Huib is huisarts. „Ik zeg: ‘Dan zorg ik dat je pas om halftien op hoeft. Maar je kómt op.’ Verder moet ik het gesprek nog met hem aangaan, hoor. Ik heb het gevoel dat hij nog wel bijdraait. Hij móet bijdraaien. Ik wil niet dat hij de hoofdrol gaat spelen omdat hij straks de enige is die niet meedoet. Dat gun ik hem niet. Dat is van mij misschien een beetje klein…”

Bess: „Ja.”

Porgy: „…maar dat is dan maar zo.”