Als een jeugdliefde besluit jouw ‘kleine krabbels’ publiek te maken

Redacteur Margot Poll signaleert welke boeken er ook nog zijn verschenen en kiest er steeds zes om kort te bespreken.

1. Lien Botha: Wonderboom

In haar debuutroman Wonderboom vertelt de Zuid-Afrikaanse fotografe Lien Botha over de vlucht uit Kaapstad van violiste Margriet Vos. De vrouw wordt geteisterd door geheugenverlies en wil ontkomen aan het regime van de West-Kaapse tiran Albino X bij wie zij als musicus in dienst is. Soms kan ze de noten op de bladmuziek niet meer rijmen met de manier waarop ze moeten worden gespeeld. Hij mag dat niet merken, anders wordt ze ‘net als de anderen als een dier opgezet’.

Ze wil terug naar haar geboorteplaats vijftienhonderd kilometer naar het noorden, aan de voet van de Magaliesberg, vlakbij de Wonderboom. Een ruige reis die dramatisch verloopt met als tragisch dieptepunt een overval in de Molteno-pas. Het enige dat Margriet Vos steeds omklemt is haar viool want in de kist bewaart zij haar geheugen: foto’s van haar familie en het notitieboekje met daarin haar naam, zodat ze niet vergeet wie ze is en waarheen ze op weg is.

Het reisverslag wordt afgewisseld met fragmenten uit haar dagboek en verwijzingen naar historische gebeurtenissen in Zuid-Afrika als de Marikana-slachting uit 2012, de Apartheid (‘We betalen de prijs voor de fouten van onze voorouders’) en de Boerenoorlog.

Dat Botha, dochter van politicus Roelof Frederick (Pik) Botha, kunstenaar en fotograaf is, blijkt uit de sympathieke vergelijkingen die zij maakt met beeld of muziek. Zo vertrouwt ze ‘mannen met een glanzend hoog voorhoofd’ omdat die haar doen denken aan fotograaf Roger Ballen. Zij ziet een ‘tuin met planten uit vlees en bloed’ waar de Britse filmregisseur Derek Jarman zich thuis zou voelen of in haar hoofd hoort zij de zee uit Benjamin Brittens ‘Peter Grimes’.

Een andere, meer confronterende, vondst zijn de collages aan het begin van elk hoofdstuk. Zie je op de eerste foto nog een prikbord vol met herinneringen zoals een hoefijzer, een plastic vork, een grote foto van een leeuw, een prachtige ingelijste wonderboom, een stekje, een ‘plaasroman’ van Anna Louw, op de volgende collages verdwijnen steeds meer onderwerpen. De weglatingen illustreren het ‘proces van aftakeling’, zoals Botha het zelf noemt in haar dankbetuiging.

Lien Botha: Wonderboom. Uit het Afrikaans vertaald door Robert Dorsman. Zimiri press, 208 blz. € 18,95

2. Lucius Annaeus Seneca: Trojaanse vrouwen

De tragedies van filosoof, politicus en schrijver Seneca (4 v.Chr.-65 na Chr.) zijn de enige Latijnse klassieke tragedies die compleet zijn overgebleven. Seneca schreef er negen die elk handelen over één of meerdere ‘elementaire gevaren’. Zo gaat Trojaanse vrouwen, gebaseerd op het gelijknamige stuk van de Griekse tragedieschrijver Euripides, over de vernietigende werking van oorlog. Na een belegering van tien jaar door de Grieken komt Troje door de list met het Paard van Troje ten val. Koning Priamus is afgeslacht, de soldaten zijn gedood of gevlucht. De vrouwen zullen worden meegegeven aan de Grieken. Zij zullen hun mannen en zonen moeten verraden, maar doen zij dat ook? Of verkiezen zij de dood als laatste redmiddel? Een theatergezelschap kan deze mooie vertaling mét toegevoegde regieaanwijzingen zo opvoeren, stelt vertaalster en docent klassieke talen Ciska Imschoot in haar nawoord. Zelf verzorgde zij al een ‘boekvoorstelling’ in Gent. Maar de lezer kan Trojaanse vrouwen ook als dramatische, zeer gepassioneerde, poëtische tekst tot zich nemen.

Lucius Annaeus Seneca: Trojaanse vrouwen. Vertaling Ciska Imschoot, uitgeverij P, 127 blz 22,50

3. Pauline Slot: Eerste liefde, laatste hart

Schrijfster Pauline Slot debuteerde in 1999 met de roman Zuiderkruis waarin hoofdpersoon Emma twee jaar na de dood van vriendin Floor – zij verdronk in de Stille Zuidzee – besluit dezelfde reis te maken om duidelijkheid te krijgen over het lot van de vriendin. In haar nu verschenen Eerste liefde, laatste hart doet zij eigenlijk hetzelfde – alleen is dit geen roman maar het waargebeurde verhaal over haar eerste vriendje Erik Berkhout (achternaam is gefingeerd) die in 1984 op 25-jarige leeftijd door ziekte overleed.

Ruim dertig jaar na zijn dood gaat zij terug naar hun allereerste ontmoeting op de middelbare school in Zoetermeer: zij was nog net 15 en had zich voorgenomen dat schooljaar een vriend te krijgen want ‘de eenzaamheid van het lichaam was te groot geworden’. Dat werd Erik, 17 jaar. De ouders vonden hen te jong en daarom schreven ze elkaar vooral brieven of zagen elkaar in een geheime buizenruimte van een flat die zij bestempelden als Ons Thuis (codenaam Ot).

Slot is zeer openhartig over Erik en over zichzelf terwijl zij altijd dacht ‘de herinneringen namens ons samen nog een tijdje te bewaren en ze dan mee in mijn graf te nemen’. Waarom ze die herinneringen nu dan wel publiek maakt, daar geeft Slot een weinig verhelderend antwoord op: ‘Het voelt niet als prijsgeven van een geheim. De lezer leeft alleen in de verbeelding. De lezer is fictie’, schrijft Slot.

Het laatste dagboek van Erik gaat over zijn ziek zijn. Hij hoopt dat het een ‘inspirerend boekje’ wordt met ‘korte krabbels’ die ‘ook bij jou iets op gang brengen’. Heeft hij iemand in gedachten, of is het voor iedereen, vraagt Pauline zich af. Met haar oprechte memoires heeft zij besloten dat hun verhaal in ieder geval voor iedereen is.

Pauline Slot: Eerste liefde, laatste hart. Memoires over een jeugdliefde. Arbeiderspers, 222 blz € 19,99

4. Patrick van den Hanenberg: Het leven heeft geen zin, maar ik wel

In Het leven heeft geen zin, maar ik wel geeft Volkskrant-recensent en docent geschiedenis op het Amsterdams Lyceum Patrick van den Hanenberg, een deinend portret van zanger-songwriter Maarten van Rozendaal (1962-2013). Vanaf zijn overwinning op het Amsterdams Kleinkunst Festival in 1993 zag Van den Hanenburg vrijwel alle optredens van Van Rozendaal en telkens kwam hij ‘tollend’ het theater uit. Dat de biograaf zo veel van zijn onderwerp houdt, straalt af op de nauwkeurige biografie: van Van Rozendaals vroege jeugd waarin zijn beste vriendje Johan overlijdt, tot anekdotes van vrijwel alle mensen met wie Van Rozendaal optrad en die óók van hem hielden om zijn ‘muzikaliteit’ en zijn ‘zelfverzekerdheid’.

Patrick van den Hanenberg: Het leven heeft geen zin, maar ik wel. Van Nijgh & Van Ditmar, 318 blz € 25 euro

5. Sophie Green: De leesclub aan het einde van de wereld

Een boekenclub waar niet over boeken wordt gesproken. Zo zou je de lichte roman De leesclub aan het einde van de wereld van de Australische schrijfster Sophie Green kunnen omschrijven: vijf vriendinnen beginnen in 1978 in Australië de Fairvale Ladies Bookclub om de eenzaamheid van nieuwkomer Kate te verdrijven. Het jonge Engelse meisje moet wennen aan het leven op de boerderij Fairvale in Northern Territory waar zij met de zoon des huizes is getrouwd: de seizoenen, de veedrijvers, de paarden, de kinderen, de verloren zoon, heimwee en de keuken.

Sybil, haar schoonmoeder, is de initiator van de club. Twee keer per jaar komen ze bij elkaar om een boek te bespreken dat één van hen voordraagt. Australische auteurs zoals Colleen McCullough en Ruth Park, verhalen over tegenspoed, liefde en hoe je beide kunt overleven.

De inleider van een boek wordt al bij de eerste zinnen onderbroken: ‘Heb je gehoord dat ze in Amerika een nieuwe president hebben? Ronald Reagan, een voormalig filmster.’ Soms lijkt het meer een theekrans dan een serieuze bijeenkomst, maar de onderwerpen die besproken worden blijken belangrijker dan het plot van een boek; de seizoenen, de veedrijvers, de paarden, de kinderen, de verloren (klein)zoon, romances, discriminatie, ongelukken, de keuken bleken een boek op zichzelf.

Sophie Green: De leesclub aan het einde van de wereld. Oorspr. Titel: The Inaugural Meeting of the Fairvale Ladies Book Club. Vertaling Els Franci-Ekeler. De Fontein, 366 blz. € 19,99

6. Lokien de Bie en Babette Wagenvoort: Een avond bij de vrouwenvereniging

In Nederland bestaan duizenden leesclubs maar ook traditionele vrouwenverenigingen. Lokien de Bie en Babette Wagenvoort (tekeningen) maakten daar met Een avond bij de vrouwenvereniging een vermakelijk, vooral door de getekende portretten, mooi vormgegeven boek over. Zij bezochten in het Westland tien verenigingsavonden en tekenden gesprekken op tussen de vaak al wat oudere bezoeksters. Iedereen hoopt nog steeds op informatieve avonden, maar die blijken zeldzaam of gaan over ouderwets snoep.

Gaat het om vriendschap dan? Els (72) van het Vrouwengilde geeft een eerlijk antwoord: ‘Je gaat erheen en je gaat weer naar huis. Raar eigenlijk, maar ik zie niemand buiten de vereniging om. Vanwege de kliekjes. Het Westland telt grote gezinnen, dus komen ze allemaal met hun zussen, schoonzussen, vriendinnen. Allemaal van die vaste kliekjes waar je moeilijk tussenkomt.’ De vrouwen zijn over het algemeen tevreden over hun gilde of vereniging – al is het maar om bestuurservaring op te doen.

Lokien de Bie en Babette Wagenvoort: Een avond bij de vrouwenvereniging. Dato, 80 blz € 19,95