Ik was ooit een nukkige schrijver die zich ergens achter in het schrijverspeloton van de Lage Landen bevond en nooit een collega zag

De eerste bladzijde Eén bijzondere zin op de eerste bladzijde van een nieuw boek. Deze keer: Niemand bleef van Alfred Birney.

Nalib Nafid

Voordat Nederland ontdekte dat Alfred Birney een interessante schrijver is – toen zijn roman De tolk van Java in 2017 de Libris Literatuur Prijs kreeg en een bestseller werd – was hij al decennia aan het schrijven. Zoals Jan Siebelink dertig jaar in de marge ploeterde voor hij doorbrak met Knielen op een bed violen, zo publiceerde Birney zijn romans voortdurend in betrekkelijke anonimiteit. Dat zie je terug in de bijnaam ‘Meneer B.’, die Birney zichzelf geeft in Niemand bleef, een verzameling dagboeknotities uit de jaren 2005 tot en met 2011, die deze maand verschijnt. En je ziet het effect van die onderwaardering in het gemopper en geklaag, meteen op de eerste bladzijde: ‘Uitgevers zie ik helemaal niet meer, sinds zij het AEX-virus kregen.’

Zuur? Nee. Het is fris gemopper en wonderlijk geklaag. Eerder eigenzinnige iedereen-is-gek-Weltschmerz dan clichématig gezeur. Zo noteert Birney op de eerste bladzijde: ‘Mannen tellen niet mee, ze vervelen me snel, om niet te zeggen zeer snel.’ Een paar zinnen verderop: ‘Vrouwen voelen zich over het algemeen snel op hun gemak bij mij. Helaas beginnen ook zij mij onderhand te vervelen.’

Geen publiek, wél veel te melden: als daar meer van dit soort eigenzinnigheid uitkomt, belooft Niemand bleef een smakelijk egodocument te worden.

Niemand bleef verschijnt begin april bij De Arbeiderspers.