Opinie

‘Welke recessie?’, klinkt het op de beurzen

Maarten Schinkel

Gaat het nou weer goed, of gaat het binnenkort juist fout? Eind vorig jaar heerste er een uitgesproken doemstemming op de financiële markten. 2019 zou niet veel goeds brengen, met op zijn best een ‘laatste hoeraatje’ op de beurzen bij aanvang van het jaar.

Dat hoeraatje duurt nu al best lang. Sterker nog, het eerste kwartaal van 2019 was op de aandelenbeurzen een van de beste in jaren. De AEX ging in dit jaar, tot woensdagmiddag, met 14,8 procent vooruit, de Amerikaanse S&P-500 index met 14,4 procent en de Eurostoxx met 14,2 procent. Een belegger die zou gaan voor absoluut rendement, zou bij wijze van spreken zijn boeken voor de rest van het jaar al kunnen sluiten. Zelfs in China, waar de aandelenkoersen het de laatste jaren niet best doen, wist de index van Shanghai te stijgen met 29 procent. Dat doet vermoeden dat het optimisme weer helemaal terug is. De economieën van de eurozone, de VS en die van China hadden zo bezien slechts een tijdelijke zwakte die niet weet door te zetten.

Op de obligatiemarkt daarentegen staan de seinen juist op rood. In de Verenigde Staten wordt veel betekenis gehecht aan het gedeeltelijk omkeren van de zogenaamde yield curve, de rentestructuur. De rente op vijfjarige staatsleningen is onder de kortetermijnrente terechtgekomen. Meestal is dat een teken van een aanstormende recessie.

Dalende rentes komen door stijgende obligatiekoersen. Dat de koersen op de obligatiemarkt én de aandelenmarkt tegelijkertijd omhoog gaan, geeft een nogal gemengd signaal. Meestal is de markt op ‘risk on’, waarbij beleggers geld in aandelen steken en uit obligaties halen. Of ‘risk-off’, waarbij beleggers uit aandelen vluchten in veilige obligaties.

Helemaal onlogisch is de huidige beweging niet: lage rentes betekenen lagere kosten van kapitaal en zijn dus in principe gunstig voor de winsten van beursgenoteerde bedrijven (uitgezonderd banken en verzekeraars). Maar welk signaal geeft het nu allemaal af? Er is een gemeenschappelijke oorzaak: de centrale banken. Vorige maand suggereerde voorzitter Powell van de Amerikaanse Federal Reserve dat er dit jaar misschien wel helemaal geen Amerikaanse renteverhoging meer komt. De markt speculeerde kort daarna zelfs op een daling. De Europese Centrale Bank liet daarop weten zelf ook de teugels voorlopig niet aan te trekken.

Was dit een overreactie op de conjuncturele angst die in de laatste maanden van vorig jaar en de eerste maanden van dit jaar heerste? De economische cijfers zijn nog steeds gemengd, maar slecht zijn ze lang niet allemaal meer. Er bestaat een kans dat de conjuncturele dip inderdaad een conjuncturele dip was: tijdelijk, en overkomelijk. Hoe dat uitpakt, weten we volgende week. Dan komt, op dinsdag, het Internationaal Monetair Fonds met zijn jongste prognoses voor de wereldeconomie.

De centrale bankiers zijn intussen vooruitgelopen op slecht nieuws. Maar een nog langere periode van makkelijk en goedkoop geld kan misschien de economie wel helpen, maar blaast ook de prijzen van activa als aandelen en huizen verder op. Het is vaak gezegd: het schuldprobleem van 2008 wordt opgelost met een toekomstig schuldprobleem. Misschien heeft Klaas Knot, de president van De Nederlandsche Bank wel gelijk. Hij zei bij de presentatie van het jaarverslag van de centrale bank dat de ECB zijn inflatiedoelstelling weer wat flexibeler moet hanteren. Van ‘ten hoogste of dichtbij’ 2 procent naar ‘ten hoogste’ 2 procent. Net zoals dat tot 2004 het geval was. Dat scheelt wellicht in de verkramptheid, waarmee het monetair beleid nu wel erg lang ruim wordt gehouden.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.