Recensie

Recensie Muziek

Petrenko, Audi en Baselitz benen ‘Parsifal’ uit met meesterhand

Recensie Voor de Bayerische Staatsoper realiseerden regisseur Pierre Audi, kunstenaar Georg Baselitz en dirigent Kirill Petrenko een geniale, strenge productie van Wagners “Parsifal” die je aan het denken zet.

Zaubermädchen in ‘Parsifal’
Zaubermädchen in ‘Parsifal’ Bayerische Staatsoper
    • Mischa Spel

Wat moet je als regisseur met de symbolentaal van Wagners opera Parsifal, diens talrijke spirituele inspiratiebronnen? Een speer is daarin natuurlijk niet zomaar een speer – het is óók een teken van mannelijkheid. En een bloem – nou ja, die geurt en verlokt; vul de rest zelf maar in. En dan is er nog de wond die nooit sluit en een mannengemeenschap op zoek naar vervulling.

Parsifal is Wagners laatste opera, en in het theaterwinkeltje van de Bayerische Staatsoper in München is een hele bibliotheek aan exegese beschikbaar. Die kun je bestuderen. Je kunt dat ook laten. Wat, in grove streken, is wat de uitgebeende enscenering door regisseur Pierre Audi en beeldend kunstenaar Georg Baselitz (decors) doet. Geen diepe duiding met het risico op hinein-interpretatie, alleen maar pure en strenge, impactvolle essentie.

Samenwerken met kunstenaars

Audi is bijna één seizoen weg bij De Nationale Opera, maar in de internationale operawereld is hij alom present. In Amsterdam en Den Haag wordt druk gerepeteerd aan zijn regie van Stockhausens Aus Licht, eind mei in het Holland Festival te zien. En Aix-en-Provence beleeft deze zomer het eerste festival dat door Audi is ingevuld.

Aan het roer van DNO toonde Audi lef en visie, terwijl hij als regisseur lastig onder éen noemer te vangen viel/valt. Tegelijkertijd is juist de flexibiliteit van zijn benadering typerend, en verklaart het ontbreken van een rigide beeldtaal ook zijn succesvol samenwerken als operaregisseur met beeldend kunstenaars: een Zauberflöte met decors van Karel Appel, Lohengrin met Jannis Kounellis en twee maal Parsifal, eerder in Amsterdam met Anish Kapoor en nu - in München - met Georg Baselitz.

Hitlers lievelingsopera

In de Duitse pers werd de Parsifal van Audi en Baselitz kritisch ontvangen. Toch is het een extreem belangrijke productie, die je op onvergetelijke wijze laat ervaren hoe fluïde je eigen perceptie van de canon is. Een Rembrandt kun je goed of slecht uitlichten, of in een andere context bezien. Maar bij een Gesamtkunstwerk als Parsifal werkt dat anders. Als decor, regie en muzikale interpretatie alle aansturen op een echt andere beleving, dan ontstaat die ook - en kantelt daarmee je hele waardering van het werk.

Dat Parsifal Hitlers lievelingsopera was, is een gedachte die je bij deze voorstelling, die muzikaal en scenisch zo nadrukkelijk is ontdaan van elk beladen pathos, moeilijk uit je hoofd krijgt. Dirigent Kirill Petrenko, vanaf komend seizoen chef van de Berliner Philharmoniker, zet zich met ziel en zaligheid in voor een hyperperfect uitgevoerde orkestrale benadering waarin kleuren, fijngetekende helderheid en ritmische luchtigheid in de plaats komen van de symfonische bedwelming en duistere woelingen. Zijn middelen: korte frases, nergens een nodeloos legato, ritmische alertheid. Waar climaxen uitgesteld kunnen worden, gebeurt dat. En als ze dan wél komen, weten Petrenko en het orkest ook echt diepe opwinding te veroorzaken, al blijf je, in „schuldig” zelfbewustzijn, dorsten naar die zwaardere en meer duistere zinnelijkheid.

Een evenement is het internationale sterzangers te horen als de moeiteloos sonore René Pape (Gurnemanz) en de diep dramatische en stralende Nina Stemme (Kundry): soevereine eredivisie.

Naaktpakken

De benadering van Georg Baselitz is schetsmatig en consequent. We zien hangende naakten op een voordoek en, in de eerste akte, een grafisch oerbos van zwarte bomen, een wigwam van stammen als heilig brandpunt en een voorwereldlijk dierenskelet als schuilhut. Zo is in één blik duidelijk dat de Graalridders (in pelgrimsjassen of functionele naaktpakken) een rudimentaire gemeenschap vormen, waar de collectieve queeste naar reinheid en verlossing zich in een vacuüm bevindt. Baselitz doet minder noch meer dan dat uittekenen. Het toverslot van Klingsor is een wit doek met getekende bakstenen, dat bij zijn ondergang als een luchtkasteel in 2D in elkaar zakt.

Veel aandacht gaat uit naar de mise-en-espace van Pierre Audi, waarin de personages zich tot elkaar verhouden in esthetische, soms ritueel aandoende en steeds betekenisvolle formaties. Opvallend fraai en intelligent is ook de belichting van Urs Schönebaum (in Stockhausens Aus Licht volgende maand verantwoordelijk voor de bepalende lichtregie), die, bij voorbeeld, Parsifal betekenisvol aanlicht als hij net middenin de wigwam staat.

Een strengere, meer uitgebeende en muzikaal detailrijkere Parsifal is heel moeilijk voorstelbaar.