Recensie

Recensie Beeldende kunst

Niemand heeft het over de zwarte vrouw op Manets Olympia

Expositie ‘Het zwarte model’ Wie is die prominente vrouw met een boeket bloemen op Olympia van Manet? Wie is de zwaaiende man op Het vlot van de Medusa? Een expositie in Musée d’Orsay geeft deze zwarte schildersmodellen een hoofdrol en een naam.

Edouard Manet Olympia (1863), met Victorine Meurent (links) en Laure.
Edouard Manet Olympia (1863), met Victorine Meurent (links) en Laure. Foto Musée d’Orsay/ Patrice Schmidt
    • Peter Vermaas

Alle Fransen kennen Het vlot van de Medusa (1819) van Théodore Géricault. Het schilderij van het dobberende vlot na de ramp met de Medusa in 1816 voor de westkust van Afrika is een icoon, onderwezen op alle scholen van de republiek. Het haalde Asterix en Georges Brassens zong erover. Wie het doek goed bekijkt, ziet dat Géricault de opvarenden na dagen op zee meer dood dan levend in beeld brengt. Maar één gespierde man weet zich te verheffen. Hij zwaait heroïsch met een lap stof om hulp. De man is zwart. Zijn donkere torso contrasteert met de lijkbleke huid van de andere schipbreukelingen.

Théodore Gericault, Het vlot van de Medusa (1791-1824).
Théodore Gericault, Het vlot van de Medusa (1791-1824).

Van de man die voor Géricault model stond is alleen een voornaam bekend: Joseph. Hij zou ook voor de twee andere zwarte figuren op het vlot geposeerd hebben. Sinds vorige week is hij met Laure (het dienstmeisje op Olympia van Matisses ) en Madeleine (op Marie-Guillemine Benoists Portret van een negerin) een van de hoofdrolspelers op de baanbrekende expositie Le modèle noir, de Géricault à Matisse in Musée d’Orsay in Parijs.

Het zwarte ‘model’ heeft hier een dubbele uitleg: die van schildersmodel en rolmodel. De tentoonstelling, die begint bij de eerste Franse afschaffing van de slavernij in 1794, net na de Revolutie, draait niet alleen om representatie van gekleurde mensen in de (Franse) beeldende kunst, maar ook om zwarte voorbeelden, zoals schrijver Alexandre Dumas, van gemengde afkomst, of de in Parijs in de jaren twintig geadoreerde Josephine Baker en haar bananenrokjes. Met alle zeer tijdgebonden raciale connotaties en appreciaties van dien.

Dat begin, 1794, is natuurlijk niet willekeurig. Met als mogelijk belangrijkste uitzondering de Bijbelse koning Balthazar die de pasgeboren Jezus geschenken komt brengen, zijn zwarte mensen in vroeger tijden vaak als anonieme vertegenwoordigers van een etnische groep neergezet. Indachtig de formeel kleurenblinde post-revolutionaire republikeinse ideologie zouden zij individuen van vlees en bloed zijn geworden. De beeldende kunst reflecteert dat, is het idee achter de expositie. Tekenend is het krachtige portret uit 1797 van het eerste zwarte Franse parlementslid, Jean-Baptiste Balley, afgevaardigde in de Nationale Conventie namens Saint-Domingue (het huidige Haïti).

Dat Napoleon in 1802 de slavernij in de koloniën weer invoerde, compliceert de zaak enigszins. Het maakt van afbeeldingen van zwarte modellen tot de tweede afschaffing (1848) algauw kritische kunst: Géricaults Medusa werd op de Salon in het Louvre in 1819 door velen geïnterpreteerd als aanklacht.

Joseph

Van Joseph is, in vergelijking tot veel andere zwarte modellen uit die tijd, tamelijk veel bekend. Hij werd rond 1793 geboren in Saint-Domingue en arriveerde waarschijnlijk in 1804 in Marseille. Hij werkte als acrobaat in Parijs toen hij werd opgemerkt door Géricault. Die haalde hem over om model te worden.

Théodore Géricault, Studie naar het model Joseph (1818-1819)

Foto J. Paul Getty Museum

Niet alleen Géricault maakte van zijn diensten gebruik, ook schilders als Alfred de Dreux en Ingres. Van 1832 tot 1835, ontdekten de samenstellers van de expositie, was hij tegen een voor die tijd schappelijk salaris van 45,89 franc een van de drie vaste modellen van de École des Beaux-Arts, de Parijse kunstacademie.

„Er is in Frankrijk geen enkele schilder of beeldhouwer die niet Joseph de neger kent, het mooiste model dat ooit in de Parijse ateliers is geweest”, schreef Le Figaro die in 1858 een heel artikel aan hem wijdde. Het „filosofische model” was volgens de schilders die met hem werkten (en tot zijn laatste dagen contact met hem hielden) een intelligente gesprekspartner.

Van Géricault zijn behalve een voorstudie van de Medusa – opvallend genoeg nog met louter witte figuren – een portret en schetsen van Joseph te zien. Er is een gipsen afgietsel van zijn gezicht uit de kunstacademiejaren en er is een voorstudie voor een doek van Ingres die Joseph (overigens zonder dat die dat wist) als zwarte Satan wilde afbeelden. Het schilderij is nooit afgekomen, volgens de samenstellers mogelijk omdat een dergelijke iconografie na die eerste afschaffing van de slavernij „achterhaald” zou zijn.

Paul Cézanne, Studie naar het model Scipion (1866-1868).

Foto Museu de Arte de São Paulo/ João Musa

Een pagina van de boekhouding van de kunstacademie ligt ernaast in een vitrine: Joseph staat er, met zijn salaris, als een van de medewerkers genoteerd. Nergens in de documenten staat dat Jospeh zwart was. „Omdat etnische statistieken vanaf de geboorte van de republiek taboe waren, kunnen we ons alleen met schilderijen een beeld vormen van de zwarte aanwezigheid in het Frankrijk van die tijd”, zegt Isolde Pludermacher, hoofd schilderkunst van Musée d’Orsay. Dat dient ook een politiek doel, erkent de Amerikaanse kunsthistoricus Denise Murell, die aan de wieg van de expositie stond. „We helpen vast te stellen wat het betekent om Frans te zijn. We laten zien dat de aanwezigheid van zwarte mensen in Frankrijk geen recent fenomeen is, dat ze erbij waren op iconische momenten die Frankrijk gemaakt hebben.”

Laure

De Parijse tentoonstelling is een uitbreiding van een eerder door Murrell in New York gebrachte expositie. Die begon bij Manets beroemde Olympia, het naakt van de vrouw van lichte zeden dat in 1865 op de Salon van Parijs tot een groot schandaal leidde. Naast haar staat een zwart dienstmeisje, symbool van een aristocratisch leven. „Voor mij is dat altijd een schilderij geweest met twee vrouwen”, zegt Murrell. „Tijdens mijn studie sprak de docent uitgebreid over de witte vrouw, maar toen ik dacht dat hij over de zwarte vrouw zou gaan praten, ging hij naar de volgende dia. Geen woord dus.” Het was voor haar het begin van een speurtocht die eindigde met een proefschrift en, vorig jaar, de eerste tentoonstelling over zwarte modellen bij Columbia University.

Marie Guillemine Benoist, Portret van Madeleine (1800).

Foto’s Galerie Jean-François Heim, Bazel

Het dienstmeisje heeft in Musée d’Orsay nu een naam: Laure. Ze komt met de kwalificatie „erg mooie negerin” in een van de notitieblokjes van Manet voor. Ze zou vaker voor hem geposeerd hebben: op Les Enfants aux Tuileries (1862) en voor een doek dat in New York wel maar door omstandigheden niet in Parijs te zien is. Manet noemde het La Négresse (1862), maar Murrell spreekt nu van Portret van Laure. Ook het schilderij waarmee de expositie in Parijs opent kreeg een nieuwe naam. Het indrukwekkende Portrait de Madeleine van Marie Guillemine Benoist (1800) stond tot nu toe bekend als ‘Portrait d’une négresse’. Het is „de andere Mona Lisa van het Louvre”, zegt Stéphane Guégan van Musée d’Orsay over het doek dat recent figureerde aan het eind van een videoclip van Beyoncé en Jay-Z.

De tentoonstelling Le modèle noir leert anders kijken. Zeker in Frankrijk, waar groepsdenken (‘communautarisme’) op voorhand verdacht is en een bij uitstek Amerikaanse discipline als ‘Black Studies’ de facto indruist tegen de waarden van de republiek.

Maar hoeveel moeite de makers zich ook hebben getroost om de intenties van de kunstenaars in een nobel en post-revolutionair ‘universalistisch’ daglicht te plaatsen, uiteindelijk kan de bezoeker niet anders dan concluderen dat de schilders bovenal kinderen van hun tijd waren. En die tijd was, met de blik van nu, racistisch. De informatie over de negentiende-eeuwse modellen, met slechts Franse voornamen, blijft schaars. En direct op de ‘tweede afschaffing’ van de slavernij in 1848 volgt de verheerlijking van het kolonialisme met, in 1877, de eerste ‘menselijke dierentuin’ in het Bois de Boulogne. „Voor velen”, concludeerde Le Monde, „bleef de Zwarte een exotisch gegeven.”