Georges Kamanayo: "Ik was dertien jaar. Met smoezen en geweld werd ik weggehaald bij mijn moeder. Na het weeshuis werd ik bij een Antwerpse familie geplaatst. Ik sprak geen Nederlands. Ik was volop in de puberteit, en ik viel met mijn huidskleur overal tussenin."

Foto Katrijn van Giel

Kinderen van de kolonie eindelijk erkend

Georges Kamanayo De Belgische premier Michel zal zich donderdag officieel excuseren voor de wijze waarop België de ‘metissen’ heeft behandeld. „Ik wacht hier al heel lang op.”

Het oordeel van een werkgroep van de Verenigde Naties in februari van dit jaar was keihard: België erkent de „ware omvang van het geweld en het onrecht van de kolonisatie niet”. De vele standbeelden in het Belgische straatbeeld van koning Leopold II, de man die miljoenen doden op zijn geweten heeft doordat hij Congo Vrijstaat als zijn persoonlijk wingewest beschouwde, vond de werkgroep zorgwekkend. België zou zich moeten excuseren voor zijn koloniaal verleden, vond de werkgroep.

Dat staat voorlopig nog niet te gebeuren. Premier Charles Michel vond het oordeel „heel vreemd”, liet hij destijds weten. Toch komt er deze donderdag erkenning voor een deel van de gekoloniseerden. Michel zal zich in de Kamer namelijk wél verontschuldigen voor de schrijnende wijze waarop België honderden kinderen van koloniale vaders en Congolese, Rwandese of Burundese moeders heeft behandeld.

De Belgische staat zag deze ‘metissen’, kinderen uit een gemengde relatie, als een bedreiging omdat zij verdere rassenvermenging vreesde. De kinderen werden daarom in 1959, vlak voor de onafhankelijkheid, weggehaald bij hun moeders en in weeshuizen of adoptiegezinnen in België geplaatst. Michels excuses komen een jaar nadat in de Kamer een resolutie werd aangenomen die het grote onrecht van die behandeling al erkende en de regering om maatregelen vroeg.

„Ik wacht hier al heel lang op,” zegt de 71-jarige Georges Kamanayo, die op het moment van spreken al meerdere interviews over het nieuws achter de rug heeft. Sinds 1974 strijdt Kamanayo voor de erkenning van het lot van de ‘metissen’. „Vooral omdat andere landen, zoals Australië en Frankrijk, wel al hun excuses aanboden voor vergelijkbare zaken. Maar ik ben nu alsnog echt heel blij. Ik zal er donderdag bij zijn. Beter laat dan nooit.”

Kamanayo werd geboren uit de buitenechtelijke relatie van een Rwandese moeder en een Belg. Op zijn dertiende werd hij weggehaald bij zijn moeder en vanuit Rwanda in een weeshuis in België geplaatst.

Traumatiserend, zei u eerder.

„Ik was dertien jaar. Met smoezen en geweld werd ik weggehaald bij mijn moeder. Na het weeshuis werd ik bij een Antwerpse familie geplaatst. Ik sprak geen Nederlands. Ik was volop in de puberteit, en ik viel met mijn huidskleur overal tussenin. Bovendien werd de segregatie van Rwanda hier ook voortgezet. In een park vlak bij huis stond toen een bord: ‘Verboden voor honden en negers’.

„Ik ben heel ongelukkig geweest. En dan had ik nog geluk, ik kwam bij goede pleegouders terecht. Dat gold niet voor iedereen. Knappe, jonge meisjes die terechtkwamen bij een familie van ex-kolonialen hadden het erger, je kunt je daar vast iets bij voorstellen.”

Foto’s uit privécollectie Kamanayo

Van veel kinderen werd ook de nationaliteit afgenomen.

„Dat gold ook voor mij. Ik ben in België aangekomen als Belg, maar die identiteit hebben ze van me afgenomen. Toen ik later begon te werken als cameraman en moest reizen, was ik stateloos. Ik heb het hele proces moeten doorlopen om weer Belg te worden, en ik heb ervoor moeten betalen. Terwijl ik al Belg wás, van geboorte, omdat mijn vader Belg was.”

Toen Kamanayo afgestudeerd was aan de Filmacademie ging hij voor het eerst terug naar Rwanda. Daar vond hij, na een zoektocht van tien jaar, uiteindelijk zijn moeder, blind geworden door mishandelingen tijdens de Rwandese burgeroorlog. Het was een emotionele ontmoeting. Hulp van de Belgische overheid kreeg hij bij zijn zoektocht nooit, hij moest alles „van A tot Z reconstrueren”.

De zoektocht resulteerde behalve in het weerzien, in 1999 ook in een documentaire: Kazungu, de metis (‘kleine blanke’), waarin hij vertelt hoe zijn moeder afstand van hem deed door een document te tekenen dat zij niet kon lezen, en hoe hij al vroeg leerde uit de buurt te blijven van zijn vader, eigenaar van enkele tinmijnen. Toch duurde het nog twintig jaar voor er excuses kwamen.

Waarom duurde het zo lang?

„Men was heel lang slecht geïnformeerd over alles wat in de kolonie is uitgespookt. Kinderen van blanken en zwarten waren al helemaal een taboe. Ik ben hier sinds 1974 mee bezig. Toen we met de vereniging ‘Metis van België’ begonnen te lobbyen voor erkenning, was dit gesprek veel lastiger. Die politici hadden zelf nog te veel connecties met de kolonisatie. Jonge mensen hebben dat veel minder, zij zien dat dit een schande was. Toen het vorig jaar lukte om de resolutie goed te keuren waaraan ik heb meegeschreven, die onder meer oproept te helpen bij de zoektocht naar familie, voelde dat al als een enorme overwinning. Die resolutie werd unaniem goedgekeurd, zelfs door het Vlaams Belang.”

Wat betekenen de excuses voor u?

„Ik denk dat ze gemeend zijn, en wij gaan er veel mee doen. Racisme zal hier niet door worden afgeschaft, maar er zal wel meer gerechtigheid komen. Het opent deuren op bijvoorbeeld juridisch vlak, zoals vergoedingen voor de slachtoffers. Maar uiteindelijk is dit natuurlijk maar een beginnetje. Er moet niet alleen hier, maar in heel Europa nog heel veel gebeuren om de band met Afrika te doen functioneren.”

Lees ook: Congo vraagt erfgoed terug bij heropening koloniaal museum België