Sigiswald Kuijken

Foto Marco Mertens

Dirigent Sigiswald Kuijken: De enige kant die telt, is de binnenkant

Matthäus Passion In 1972 richtte Sigiswald Kuijken (75) zijn eigen barokensemble La Petite Bande op. Zijn visie op de ‘Matthäus Passion’: 11 zangers, meer niet.

Toen violist, gambist en dirigent Sigiswald Kuijken zeven was, lag hij een jaar met tbc in bed. Zijn grotere broers Wieland, Oswald en Eckhart trokken er wel op uit: naar een zomerkamp in de Duitse Eifel, waar ze vedeltjes bouwden om op schoot te bespelen.

Thuis probeerde Sigiswald ze uit. „Dat was mijn koninklijke entree in de muziek”, vertelt hij. „Beethoven of Brahms had ik nooit gehoord, maar via het vedeltje ontdekte ik renaissancecomponisten als Josquin en Lassus.”

Sigiswald Kuijken is één van de grote Vlaamse pioniers van de oude muziekbeweging. Hij stichtte zijn eigen barokorkest, La Petite Bande, dat („ik durf niks te beloven”) over drie jaar vijftig jaar bestaat. Hij zette zich in voor de emancipatie van de barokviool en herontdekte de ‘viola da spalla’ , een vergeten basviool. En hij realiseerde met zijn eigen orkest en zijn uit familieleden samengestelde Kuijken Kwartet talrijke uitvoeringen van oude muziek, waaronder een fraaie, heel intieme cd-opname van Bachs Matthäus Passion (2010).

U voert de ‘Matthäus’ op de cd en ook deze week in concert uit met elf zangers: koor én solisten. Is dat niet erg weinig?

„Het is zoals ik geloof dat het hoort, als je van Bach uitgaat: één zanger voor elke partij in de beide koren, en drie reservezangers voor de kleine rolletjes. Maar ik snap uw reserve. De theorie van dirigent/musicoloog Joshua Rifkin die aan de minimalistische Bachopvatting ten grondslag ligt, dateert uit 1985. Ook ik heb me daar vijftien jaar uit ongeïnformeerde weerzin niet in willen verdiepen. Maar dat bleek dom. Want toen ik de argumenten ging lezen, bleken die waterdicht.”

Lees ook een interview met dirigent Marc Albrecht: ‘Bachs ‘Matthäus’ is heiliger dan de kerk’

Afgezien van de musicologische discussie: het oor wil ook wat.

„Maar dat krijgt het! Ik vond deze aanpak vanaf de eerste repetitie een revelatie: transparant, kamermuzikaal en vol van een actieve energie die voortkomt uit de werkwijze zonder dirigent.”

Dus zelfs in een donderkoor als ‘Sind Blitze, sind Donner’ verlangt u niet naar meer body?

„Welnee, dat is allemaal conditionering. Een goed solistenkwartet klinkt trouwens volumineuzer dan een kamerkoor. Let wel: ik zal nooit zeggen dat mensen moeten afkicken van een ander klankideaal dan het mijne. Principieel ben ik sowieso niet. En ik besef ook dat voor veel oratoriumkoren de Matthäus een jaarlijks hoogtepunt is, waaraan ook hun familie een mooie avond beleeft. Hoe kun je daar tegen zijn? Maar voor mij is het plaatje helder. Dit is voor mij hoe Bach ‘hoort’ en het beste werkt.”

Rembrandt, De drie kruisen (1653) Foto Rijksmuseum

Waarom zingen er bij u, anders dan Bach, ook vrouwenstemmen mee?

„Dat kan niet anders. In Bachs tijd kregen jongens als late tieners de baard in de keel, en dan hadden ze er al tien jaar muziek- en theologieonderwijs op zitten. Maar nu? Een jongenssopraan van twaalf kan de noten nét zingen, maar interpretatief schiet hij tekort. Ik probeer wel strakke, niet opera-achtige vrouwenstemmen te casten.”

U heeft twee musicerende broers. Aan uw passie-uitvoering werken uw vrouw en twee dochters mee. Al die muzikale Kuijkens, hoe dat zo?

„Dat is het geheim van de genen. (lacht) Mijn ouders waren niet per se heel muzikaal, maar ze remden mijn twee broers en mijzelf ook niet af. Daar ben ik ze dankbaar voor. En ook onze drie dochters wilden het zelf.

„Mijn ouders groeiden op in het culturele klimaat van de jaren twintig en dertig. Zij gingen op in het flamingantisme - waar helaas ook een Germaanse verafgoding bij hoorde die je terugziet in de namen van mij en mijn broers. Ik ben ook druïdisch gedoopt, onder een oude eik. En ja, natuurlijk draag ik dat belaste verleden met me mee, maar ik heb er geen last van. Toen ik veertig was besefte ik: Sigiswald betekent iets als ‘zegevierend heerser’. Als je ervan uitgaat dat je ouders je je naam meegeven als een soort programma, kun je het bepaald slechter treffen.”

U heeft zich zelf op uw 22ste tot het katholicisme bekeerd.

„Ja. En hoewel ik echt niet Rooms of praktiserend ben, sta ik nog steeds achter het signaal dat ik daarmee wilde afgeven: dat ik geloof dat dat er iets is dat ons ontstijgt: een bron die groter is dan wij en die we kunnen voelen, maar niet vatten. Muziek plaatst je middenin dat mysterie.”

In Nederland is de ‘Matthäus Passion’ voor menigeen het jaarlijkse shot mystiek.

„Ja, en ik vind dat een geweldig fenomeen - zeker in onze door technologie en materialisme gedomineerde tijd. Al ben ik daar totaal niet somber over, hoor. Mensen gaan kunst en verdieping vanzelf weer belangrijker vinden, mettertijd. Alles gaat in golven.”