Marc Albrecht

Foto Mat Pas

Dirigent Marc Albrecht: ‘Bachs ‘Matthäus’ compenseert de verschrikkingen in de wereld’

Matthäus Passion Marc Albrecht, chef-dirigent van NedPhO en De Nationale Opera, leerde van zijn vader dat Bachs Matthäus „heiliger is dan de kerk”. Nu dirigeert hij de passie zelf voor de eerste keer.

Niet Mahlers grootse Achtste symfonie, niet Enescu’s opera Oedipe, niet Wagners Tannhäuser. „Oh nee, het is echt de Matthäus Passion die ik als mijn grootste, en welhaast monstrueuze uitdaging van dit seizoen beschouw”, zegt dirigent Marc Albrecht. „Aan mijn opera-ervaring heb ik weinig tot niks; bij een stuk als dit moet het verhaal zich in je hoofd afspelen.” Het zijn zware dagen, lacht hij. „De première van Tannhäuser is zaterdag, we zitten volop in de laatste repetities. En zodra ik daarmee klaar ben, ga ik thuis direct verder met Bach. Ik ben er heel intensief en gespannen mee bezig, omdat ik de muziek echt zo na als mogelijk wil proberen te komen.”

Waarom stelde u uw eerste ‘Matthäus’ zo lang uit?

„Het was mijn droom, maar ik durfde niet. Ik denk dat ik bang was dat mensen zouden denken: wat moet die Wagner- en Straussdirigent met Bach? Of er waren praktische bezwaren; dat ik een orkest onvoldoende vertrouwde, bij voorbeeld. Maar nu zijn die excuses er niet. Het Nederlands Kamerorkest is muzikale familie. Het is nu of nooit.”

Lees ook een interview met dirigent Sigiswald Kuijken: ‘De enige kant die telt, is de binnenkant’

Hoe was tot nu toe uw relatie met de ‘Matthäus’?

„Ik heb mijn vader (dirigent George Alexander Albrecht, red.) de Matthäus ontzettend vaak horen dirigeren. In onze familie, ik heb vier zussen, is de Matthäus heiliger dan de kerk. Nóg zingen we tijdens familiebijeenkomsten vaak samen de koralen, om het genie van de harmonisaties aan den lijve te proeven. Al met al voelt de Matthäus daardoor voor mij als een thuiswedstrijd, maar ook als een enorme geestelijke en emotionele uitdaging. Iets heel… verinnerlijkts. Wereldse uitvoeringstradities als applaus en sekt in de pauze vind ik eerlijk gezegd ook echt niet prettig. Als iemand mij die beroemde onbewoonde-eiland-vraag zou stellen, dan is het antwoord dat de Matthäus meegaat in mijn koffer. Niet Wagner, niet Strauss. Als het een opera moest zijn, dan Don Giovanni. En de verklaring is dat ik in de Matthäus een spiritualiteit vind die ik zoek, maar in een kerk niet vind – en met mij vele anderen.”

Jacob Cornelisz. van Oostsanen, De kruisiging (ca. 1507-1510)

Foto Rijksmuseum

Hoe verklaart u dat?

„Vanuit het genie van de muziek. Er gaat troost uit van het besef dat een muziek die zo intens goed en zo vol universeel aansprekende empathie is, mensenwerk is. Het genie en de schoonheid van de Matthäus compenseren de vele verschrikkingen die er ook zijn in de wereld. Daarbij is het beluisteren ervan ook een zware mentale exercitie, die echt uithoudingsvermogen vergt. En ook dat draagt bij aan de verheffende kracht. Die echter staat of valt met de uitvoering, en de interpretatie, waarvan er in Bach vele zijn.”

Wat is uw waarheid?

„Ach, er is zo veel waarheid…. Mijn vader zweerde bij de gedragen uitvoeringsstijl van dirigent Karl Richter (1926-1981). En ik raakte als student in Wenen in de ban van Nikolaus Harnoncourt, een van de creatiefste muzikale geesten ooit. Thuis leidde die tweespalt tussen twee totaal verschillende opvattingen steevast tot verhitte discussies, want mijn vader vond een strijkersklank zonder vibrato totaal niet kunnen. Hij respecteerde mijn voorkeuren nipt, maar het duurde decennia eer hij vrede had met de oude muziekbeweging.”

Dus u serveert zelf een min of meer historisch geïnformeerde Matthäus.

„Nou ja; ik kies voor twee kleine instrumentale ensembles en twee koren van twintig zangers. Zo’n bezetting zullen gespecialiseerde barokdirigenten alsnog groot noemen, maar ik denk dat je het óf moet doen met een solistische bezetting van 12 excellente solozangers, zoals Kuijken, of met twee kleine koren, zoals ik.

„Het punt is: er staat bijna niks in de partituur. Alles is je eigen keuze. De fermates in de koralen – sta je daar stil, of beweeg je door? Welk tempo krijgen de aria’s? Het korte antwoord is: het hangt er allemaal maar net vanaf. Van de context, van de zanger en van diens individuele ademspanne, van de tekst. Een koortje als ‘Wozo dienet dieser Unrat’ wordt vaak in een sfeer van hysterische martiale opwinding gebracht, maar dat vind ik ronduit verschrikkelijk. Waar slaat dat op, zo spreek je toch niet tegen je meester? En neem je een te sloom tempo voor de da capo-aria ‘Mache dich, mein Herze rein’, dan is dat op dat moment in de passie gewoonweg tergend, slaapverwekkend, niet te harden gewoon. Overall ga ik uit van vrijheid, niet van dogma. Ik wil de partituur tot in de details begrijpen en bevatten. Me er fysiek en spiritueel toe verhouden. Dat is spannend. Met als troost: als de uiteenlopende visies van Richter en Harnoncourt bestaansrecht hebben, mag de mijne er ook zijn.”